Einde inhoudsopgave
De turboliquidatie van de BV (VDHI nr. 131) 2016/8.3.2
8.3.2 De betekenis van het herlevingsfenomeen
mr. S. Renssen, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. S. Renssen
- JCDI
JCDI:ADS383867:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Snijder-Kuipers, Groene Serie Rechtspersonen, art. 2:19 BW, aant. 8, Deventer: Kluwer 2012.
Zie ook: Van den Ingh 1994, p. 814 en Hagens 2011, p. 181-184.
Zie ook Van de Streek e.a 2012, onder 1.0.3.B.b.13.
Met het oog op de derdenbescherming blijft zich desondanks een probleem voordoen, aangezien er volgens de Minister in geval van herleving geen herinschrijving in het handelsregister hoeft plaats te vinden. Dit zou blijken uit de woorden ‘doch uitsluitend ter afwikkeling van die vereffening’, KamerstukkenII 1984/85, 17 725, nr. 7 (MvA), p. 20 en Snijder-Kuipers,Groene Serie Rechtspersonen, art. 2:23c BW, aant. 2, Deventer: Kluwer 2012.
Zie ook Van den Ingh 1994, p, 814.
Zie paragraaf 8.5 voor een uitwerking van deze problematiek.
Uit de door de wetgever gehanteerde termen ‘houdt op te bestaan’ en ‘herleeft’, lijkt te volgen dat de BV in de tussentijd ‘niet bestaat’.1 Naar mijn mening zijn de gehanteerde termen echter niet correct en vindt een dergelijke herleving plaats met terugwerkende kracht,2 zodat de BV moet worden geacht ook in de tussentijd als zodanig te hebben bestaan.3 Vanuit het oogpunt van rechtszekerheid, derdenbescherming4 en proceseconomie5 bezien, is het mijns inziens gewenst dat de BV wordt geacht in de tussentijd te hebben voortbestaan. Het lijkt mij dat de wetgever niet heeft bedoeld om aan de herleving van een BV geen terugwerkende kracht toe te kennen, omdat daardoor het eigenlijke doel van de herleving van een (rechtsgeldig) turbogeliquideerde BV (het waarborgen van de bescherming van schuldeisers door de alsnog bestaande baten te vereffenen), niet tot zijn recht zou komen, althans in de situatie waarin sprake is van een bate die ten tijde van ontbinding nog niet bestond. Wanneer aan de herleving van een BV in een dergelijke situatie geen terugwerkende kracht wordt toegekend, bestond de BV ten tijde van het ontstaan van de bate niet en een niet-bestaande BV kan uiteraard geen schuldenaar zijn. Bovendien is het bepaalde in artikel 2:19 lid 5 BW – dat de BV na ontbinding voort bestaat voor zover dit tot vereffening van haar vermogen nodig is – in geval van een rechtsgeldige turboliquidatie niet van toepassing: de turbogeliquideerde BV houdt namelijk ten tijde van haar ontbinding op te bestaan, juist omdat er geen baten bestaan en dus geen vereffening van haar vermogen nodig is.6
Bovendien blijkt de terugwerkende kracht van de herleving van een turbogeliquideerde BV uit het bepaalde in artikel 2:23c lid 2 BW: de verjaringstermijn van een vordering van of tegen de BV wordt verlengd gedurende de periode dat de BV heeft opgehouden te bestaan.7
De termen ‘houdt op te bestaan’ en ‘herleeft’ hebben mijns inziens dus een ongelukkige werking en behoeven aanpassing, zodat artikel 2:23c lid 1 BW tot haar recht komt in geval van een rechtsgeldige turbogeliquideerde BV. Gekozen zou kunnen worden voor de volgende aanpassing van artikel 2:23c lid 1 BW:
Indien na het tijdstip waarop de rechtspersoon is opgehouden te bestaan nog een schuldeiser of gerechtigde tot het saldo opkomt of het bestaan van een bate blijkt, kan de rechtbank op verzoek van een belanghebbende de vereffening heropenen en zo nodig een vereffenaar benoemen. In dat geval herleeft de rechtspersoon met terugwerkende kracht, doch uitsluitend ter afwikkeling van de heropende vereffening. De rechtspersoon wordt alsdan geacht te zijn blijven voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is. De vereffenaar is bevoegd van elk der gerechtigden terug te vorderen hetgeen deze te veel uit het overschot heeft ontvangen.