RvdW 2026/458:Mensensmokkel van 15 vluchtelingen door hen in uitoefening van beroep behulpzaam te zijn bij hun illegale verblijf in Nederland door juridisch adviseur op gebied van asielrecht (art. 197a lid 2 jo. art. 197a lid 4 Sr). Vrijspraak in eerste aanleg t.a.v. 1 vluchteling. 1. Bewijsklachten. 2. Duur van ontzetting van recht tot uitoefening van beroep (art. 31 lid 1 onder 2 Sr). Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Uit ’s hofs bewijsvoering blijkt niet dat verdachte aan A kenbaar heeft gemaakt welke documenten zij (aan IND) moest verstrekken. Dat hoeft echter niet tot cassatie te leiden. Bij schrapping van zinsnede ‘en/of welke documenten zij (aan IND) moet verstrekken’ uit bewezenverklaring worden aard en ernst van bewezenverklaarde niet aangetast, terwijl ook kwalificatie ongewijzigd blijft. Ad 2. Hof heeft verdachte veroordeeld tot gevangenisstraf van 4 jaren en ontzetting van recht tot uitoefening van beroep van beroepsmatige dienstverlening in vreemdelingenrechtelijk domein voor duur van 10 jaren. Art. 31 lid 1 onder 2 Sr houdt in dat bij veroordeling tot tijdelijke gevangenisstraf de duur van ontzetting van recht de duur van hoofdstraf ten minste 2 en ten hoogste 5 jaren te boven gaat. Door hof bepaalde duur van ontzetting van recht een bepaald beroep uit te oefenen is met dit voorschrift in strijd. HR doet zaak zelf af door duur van opgelegde ontzetting te verminderen tot 8 jaren en 10 maanden. Samenhang met RvdW 2026/459. CAG gaat in op ontvankelijkheid van cassatieberoep (gebrek in schriftelijke bijzondere volmacht tot instellen van cassatieberoep van advocaat aan griffiemedewerker hof).