Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/7.8.2.1
7.8.2.1 Administratievoorwaarden
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232929:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Ik onderschrijf de mening van Vegter (preadvies 2004, pagina 116 – 117) dat de verplichting om het beheer door de STAK te dulden en de eventuele verplichting om de certificering in stand te laten gezien kunnen worden als eigenschappen van het aan de certificaathouder toekomende vorderingsrecht.
Zie evenwel Vegter, preadvies 2004, pagina 106, die opmerkt dat de fiduciarius (STAK) zijn eigendomsrecht in het (uitsluitend) belang van de beneficiaris (certificaathouder) dient uit te oefenen.
Hof Amsterdam (OK) 2 november 1996, TVVS 1996/68. Zie voorts Hof Amsterdam (OK) 21 juni 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BB1460, ARO 2007/100 (rechtsoverweging 3.7).
Dit was mogelijk omdat het administratiekantoor een besloten vennootschap was, vergelijk artikel 2:344 BW.
Rechtbank Midden-Nederland (voorzieningenrechter) 27 september 2017, nr. C/16/446066/KG ZA 17-678, Notamail 2017/249.
HR 9 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1089, NJ 2014/251.
Zie paragraaf 7.5.1.
Evenzo R.A. Wolf, Het certificaat van aandeel in de BV, WPNR 2016/7093, paragraaf 8.
Rechtbank ‘s-Hertogenbosch (pres.) 12 augustus 1988 en 1 november 1988, De NV 67/3 (1898), pagina 74 e.v.
Hof ‘s-Hertogenbosch 2 mei 1989, S&V 1989, pagina 119 e.v.
De beheersovereenkomst, neergelegd in de administratievoorwaarden, is een wederkerige overeenkomst. De beheersovereenkomst wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid van artikel 6:2 BW en die van artikel 6:248 BW. De (hoofd)verplichting die voor de certificaathouder uit de beheersovereenkomst voortvloeit, is de overdracht van de te certificeren goederen of eventueel contanten aan de STAK, die reeds bij het ontstaan van de certificering voldaan wordt. Daarna resteren voor de certificaathouder weinig of zelfs geen verplichtingen.1 Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van een verplichting voor de certificaathouder om een pro rata aandeel van de kosten van het beheer en/of de inning van inkomsten voor zijn rekening te nemen. Daartegenover staat als voornaamste recht van de certificaathouder zijn aanspraak op het gecertificeerde vermogen en de inkomsten daaruit. Ook kan de certificaathouder uit hoofde van de beheersovereenkomst aanvullende bevoegdheden hebben, zoals een mogelijkheid tot het royeren van de certificaten en invloed op een eventuele wijziging van de administratievoorwaarden, welke sterk afhankelijk zijn van de omstandigheden van ieder geval en het met die certificering nagestreefde doel.
Voor de STAK brengt de beheersovereenkomst met zich, dat zij weliswaar juridisch eigenaar van het gecertificeerde vermogen is, maar dat zij haar eigendomsrecht niet te eigen bate uitoefent. Het belang dat hierbij wel dient te worden nagestreefd, hangt af van het doel van de certificering. Dit bepaalt mijns inziens ook in hoeverre de STAK met de belangen van de certificaathouder als economisch gerechtigde rekening dient te houden. Het is immers zeer wel denkbaar dat het doel van de certificering het nastreven van een maximale economische waarde voor de certificaathouder geheel of gedeeltelijk uitsluit. Zo verdraagt een certificering die de continuïteit van de onderneming van een vennootschap tot doel heeft zich slechts tot op zekere hoogte met het doen van dividenduitkeringen of impliceert een certificering die zich richt op het bijeenhouden van een kunstcollectie dat deze collectie niet te gelde gemaakt kan worden ten behoeve van de certificaathouders. Overigens is ook een certificering die zich wel richt op (uitsluitend) het economische belang van de certificaathouder goed denkbaar: bijvoorbeeld de variant die trekken heeft van een beleggingsfonds.
Mijns inziens zal een dergelijk als doel gesteld belang in beginsel prevaleren boven het economische belang van de certificaathouder.2 De mogelijkheid c.q. verplichting van de STAK om dit belang na te streven is echter niet absoluut: de STAK dient ook rekening te houden met de belangen van de certificaathouder. Hof Amsterdam3 oordeelde over een verzoek om een enquête bij een administratiekantoor.4 De verzoekende certificaathouders beschouwden het stemgedrag van het administratiekantoor op de gecertificeerde aandelen, onder meer betreffende het dividendbeleid, als grond voor twijfel aan een juist beleid. Het hof overweegt dat de bedoeling van de certificering het verzekeren van de continuïteit in het bestuur, beleid en onderneming betrof van de vennootschap wier aandelen gecertificeerd waren. Het hof oordeelt in dat verband dat het administratiekantoor aan het belang van die continuïteit niet een zodanig overwicht mag toekennen, dat daardoor de belangen van de certificaathouders op onevenredige wijze worden geschaad.
In dit verband zij voorts gewezen op een uitspraak van rechtbank Midden-Nederland.5 De betrof certificaten van aandelen in een besloten vennootschap, die vererfd waren. De enige erfgenaam was een algemeen nut beogende instelling, terwijl familieleden van de erflater het bestuur van de STAK en van de vennootschap vormden. Aan de erflater was een aanslag inkomstenbelasting opgelegd en de executeur had verzocht om een dividenduitkering om deze belasting te kunnen voldoen. De erfgenaam en tevens meerderheidscertificaathouder was voorstander van de uitkering. Na weigering van STAK en vennootschap volgde een kort geding. De voorzieningenrechter overwoog dat de STAK de gecertificeerde aandelen in een besloten vennootschap beheert ten behoeve van de certificaathouders en daarom met de uitoefening van het stemrecht en andere zeggenschapsrechten primair de belangen van de certificaathouders moet dienen. De verplichtingen voor de STAK uit de fiduciaire rechtsverhouding met de certificaathouders vallen deels samen, maar strekken ook verder dan die van artikel 2:8 BW. Gezien artikel 2:8 BW en de fiduciaire rechtsverhouding oordeelt de voorzieningenrechter dat het bestuur van de STAK en van de vennootschap niet in redelijkheid tot een weigering hadden kunnen komen. In casu was echter sprake van een belangentegenstelling tussen certificaathouder en STAK-bestuur persoonlijk en niet tussen de certificaathouder en een ander met de certificering na te streven belang.
Gezien het arrest Velázquez/Zalinco6 kan het bovendien zo zijn dat (het bestuur van) de STAK verplicht is tot het afleggen van rekening en verantwoording jegens de certificaathouders, ook als dit niet met zoveel woorden is opgenomen in de administratievoorwaarden. In dit arrest oordeelde de Hoge Raad dat een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording kan worden aangenomen indien tussen partijen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan krachtens welke de een jegens de andere (de rechthebbende) verplicht is om zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden. Een degelijke verhouding kan voortvloeien uit de wet, een rechtshandeling of het ongeschreven recht. Aan het oordeel dat sprake is van een uit het ongeschreven recht voortvloeiende verplichting kan bijdragen dat sprake is van een rechtsverhouding die verwantschap vertoont met een of meer in de wet geregelde gevallen waarin een dergelijke verplichting is neergelegd, zoals gemeenschap, opdracht of zaakwaarneming. Ten slotte geeft de Hoge Raad aan dat sterk afhankelijk is van de omstandigheden van een geval of zich een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording voordoet, waarbij een rol kunnen spelen:
de redenen waarom het beheer is gevoerd;
de verhouding tussen degene die het beheer voerde en de rechthebbende;
hetgeen in de relatie tussen partijen of in soortgelijke gevallen gebruikelijk is of was;
de mate waarin degene die het beheer voerde zelfstandig kon en mocht handelen; en
de mate waarin de rechthebbende in staat is geweest om de handelingen van degene die het beheer voerde te overzien en voor zijn belangen op te komen.
Dit in aanmerking nemend, alsmede de omstandigheid dat certificering zodanige parallellen met de overeenkomst van opdracht vertoont, dat de vraag rijst of wellicht sprake is van een overeenkomst van opdracht,7 zal bij certificering naar mijn mening veelal sprake zijn van een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording door de STAK aan de certificaathouder, ook als dit niet in de administratievoorwaarden geregeld is.8 Een dergelijke verplichting zal eerder aangenomen kunnen worden naarmate de administratievoorwaarden (of de statuten van de STAK) minder mogelijkheden toekennen aan de certificaathouder om het beleid van de STAK te beïnvloeden of te controleren. Overigens veronderstelt een regeling, die op evenwichtige wijze rekening houdt met zowel het met de certificering na te streven doel en het belang van de STAK enerzijds en het (economische) belang van de certificaathouder anderzijds, naar mijn mening dat een verplichting tot het periodiek afleggen van rekening en verantwoording door de STAK in de administratievoorwaarden wordt opgenomen.
In uitzonderlijke gevallen is zelfs mogelijk dat het bestuur van de STAK persoonlijk aansprakelijk is jegens de certificaathouders, getuige een tweetal uitspraken van de president van rechtbank ’s-Hertogenbosch.9 Dit betrof de (voorgenomen) verkoop van de vennootschap wier aandelen gecertificeerd waren. Het bestuur van de STAK ging hierbij te werk zonder enig overleg met de certificaathouders en gaf ook geen gehoor aan een uitdrukkelijk verzoek van de certificaathouders om informatie. Uiteindelijk is de onderneming verkocht aan een vennootschap waarvan een van de bestuurders van de STAK directeur-grootaandeelhouder was. De president veroordeelt het bestuur in eerste instantie om niet zonder overleg met de certificaathouders de onderneming te verkopen en vervolgens, omdat de overdracht inmiddels plaatsgevonden bleek te hebben, op straffe van een dwangsom op de verkoopovereenkomst en daaruit voortvloeiende leveringen terug te draaien. Dit oordeel is bekrachtigd door hof ’s-Hertogenbosch.10