Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer
Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/14.5.2.2:14.5.2.2 Verrekening van dividendbelasting
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/14.5.2.2
14.5.2.2 Verrekening van dividendbelasting
Documentgegevens:
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232808:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het is echter niet slechts de eventuele teruggave van dividendbelasting aan het APV die op complicaties stuit. Ook de verrekening van de dividendbelasting met de van de inbrenger geheven inkomstenbelasting roept vragen op. Artikel 9.2 Wet IB 2001 maakt de verrekening van de geheven dividendbelasting als voorheffing mogelijk. Wel is gezien lid 2 vereist dat de belastingplichtige (i) ten laste van wie de dividendbelasting is ingehouden (ii) de uiteindelijk gerechtigde is tot het dividend. Evenals in artikel 4 lid 7 Wet DB is slechts een (gelijkluidende) negatieve definitie gegeven, van wie geen uiteindelijk gerechtigde is. Met betrekking tot deze vereisten merk ik het volgende op:
Het vereiste dat de dividendbelasting ingehouden moet zijn ten laste van de inbrenger wordt niet vervuld. De toerekening van artikel 2.14a Wet IB 2001 werkt zoals opgemerkt slechts in zeer beperkte mate door naar de Wet DB, zodat het APV de opbrengstgerechtigde is ten laste van wie de dividendbelasting wordt ingehouden. Hoewel het mij niet onredelijk voorkomt dat de inbrenger deze dividendbelasting kan verrekenen, vereist dit mijns inziens wel een aanvulling op artikel 9.2 Wet IB 2001, waarin geregeld wordt dat dividendbelasting ingehouden ten laste van een APV, in verband met dividend dat op grond van artikel 2.14a Wet IB 2001 aan de belastingplichtige wordt toegerekend, tevens wordt aangemerkt als voorheffing voor de desbetreffende belastingplichtige.
Voorts is vereist dat de inbrenger aangemerkt kan worden als uiteindelijk gerechtigde tot het dividend. Als men de juridische en economische verhoudingen bekijkt, is hier bij een APV geen sprake van, vanwege het ontbreken van afdwingbare aanspraken. Desalniettemin valt er naar mijn mening wel wat te zeggen voor het standpunt dat de toerekening tot gevolg heeft dat de inbrenger als uiteindelijk gerechtigde tot het dividend te gelden heeft, althans voor inkomstenbelastingdoeleinden. Consequentie van dit standpunt is wel dat er spanning ontstaat met het voor dividendbelastingdoeleinden als uiteindelijk gerechtigde aanmerken van het APV.
Gezien het voorgaande ben ik van mening dat het verrekenen van de dividendbelasting bij de inbrenger bij de huidige formulering van de wettekst niet mogelijk is. Duidelijker, maar ook niet volledig zeker, is het verzoeken om een teruggave door het APV.