Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/11.7.1
11.7.1 Voorwetenschap
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS380650:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Verordering (EU) nr. 596/2014 van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (Verordening marktmisbruik) en houdende intrekking van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijnen 2003/124, 2003/125/EG en 2004/72/EG van de Commissie, verder: ‘Verordening marktmisbruik’.
Stb. 2016, 297.
Art. 7 lid 1 sub a Verordering marktmisbruik. Zie ook art. 1 lid 1 van de ingetrokken Richtlijn nr. 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 28 januari 2003 betreffende marktmisbruik (PbEU 2003, L 96), verder: ‘Richtlijn marktmisbruik 2003’.
Art. 7 lid 2 Verordening marktmisbruik.
Nieuwe Weme en Stevens (2006), p. 188.
Zie art. 17 lid 4 en overweging 50 Verordening marktmisbruik en AFM-Brochure openbaarmaking van voorwetenschap (juli 2016, update juli 2017), p. 13. Zie ook Nieuwe Weme en Stevens (2006), p. 177 en 211 e.v. over het oude art. 4 Btui en (daarvoor) art. 14 Besluit marktmisbruik.
Bij niet-structuurvennootschappen valt een voorstel tot statutenwijziging ook onder het toezicht van de raad van commissarissen. In de praktijk is het derhalve niet ongebruikelijk dat in de statuten van niet-structuurvennootschappen een vergelijkbare lijst van besluiten als in voornoemd artikel wordt opgenomen die de goedkeuring van de raad van commisarissen behoeven. Een voorstel van het bestuur om de enquêtebevoegdheid in de statuten aan een betrokkene toe te kennen, kan derhalve ook bij niet-structuurvennootschappen onderworpen zijn aan de goedkeuring van de raad van commisarissen.
Zie art. 2:123 lid 1 BW. Zie ook Nieuwe Weme en Stevens (2006), p. 216 en Hoff, diss. (2011), p. 284.
Zie ook art. 6 lid 1 van de ingetrokken Richtlijn marktmisbruik 2003.
Nieuwe Weme en Stevens (2006), p. 178. Zie ook Hoff, diss. (2011), p. 233 e.v.
Nieuwe Weme en Stevens (2006), p. 182, met verwijzingen aldaar. Zie ook Hoff, diss. (2011) p. 69, 250-251.
Italianer (2006), p. 69.
Hoff, diss. (2011), p. 256-262.
Kristen, Lemmers & De Kluiver, Market Abuse Regulation: van Europese kaders naar uitleg en toepassing in Nederland (VDHI nr. 138) 2017/2.1.9.
Doorenbos (2016), p. 411.
De Verordening Marktmisbruik kent bovendien drie meer specifieke omschrijvingen van voorwetenschap (voorwetenschap in verband met grondstoffenderivaten, voorwetenschap in verband met emissierechten en voorwetenschap in verband met de uitvoering van orders) waarin ook steeds de eis wordt gesteld dat de informatie bij openbaarmaking “waarschijnlijk een significante invloed zou hebben” op de koers. Zie art. 7 lid 1 sub a van de Verordening marktmisbruik versus sub b, c en d.
Nieuwe Weme en Stevens (2006), p. 205. Zie ook Josephus Jitta (2002a), p. 30-37.
Zie art. 17 lid 4 Verordening marktmisbruik.
In gelijke zin Josephus Jitta (2002), p. 33, die meent dat als een enquêteverzoek bij de OK is ingediend, de beursgenoteerde onderneming waartegen dit verzoek zich richt, nadat zij van die indiening kennis heeft genomen, daaraan onverwijld bekendheid moet geven.
Art. 17 Verordening marktmisbruik verplicht een beursvennootschap voorwetenschap (voorheen aangeduid als koersgevoelige informatie) die rechtstreeks op haar betrekking heeft zo snel mogelijk openbaar te maken.1 De verplichting tot publicatie van voorwetenschap ter bevordering van de marktintegriteit stond voorheen in art. 5:25i Wft. Vanaf 3 juli 2016 zijn de lidstaten onderworpen aan de bepalingen van de Verordening marktmisbruik ten aanzien van voorwetenschap en is art. 5:25i Wft komen te vervallen.2
Op basis van de Verordening marktmisbruik wordt onder voorwetenschap verstaan:
“a) niet openbaar gemaakte informatie die concreet is en die rechtstreeks of onrechtstreeks betrekking heeft op een of meer uitgevende instellingen of op een of meer financiële instrumenten en die, indien zij openbaar zou worden gemaakt, een significante invloed zou kunnen hebben op de koers van deze financiële instrumenten of daarvan afgeleide financiële instrumenten; (…)”3
Informatie wordt geacht concreet te zijn
“indien zij betrekking heeft op een situatie die bestaat of waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zij zal ontstaan, dan wel op een gebeurtenis die heeft plaatsgevonden of waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zij zal plaatsvinden, en indien de informatie specifiek genoeg is om er een conclusie uit te trekken omtrent de mogelijke invloed van bovenbedoelde situatie of gebeurtenis op de koers van de financiële instrumenten of daarvan afgeleide financiële instrumenten, (…).”4
Indien de gebeurtenis betrekking heeft een besluit van een orgaan van de beursvennootschap dan zal niet altijd duidelijk zijn wanneer de koersgevoelige informatie en daarmee de openbaarmakingsplicht ontstaat. Het ontstaansmoment is doorgaans het moment waarop het besluit wordt genomen.5 Wanneer het bestuur besluit tot het verlenen van de enquêtebevoegdheid bij overeenkomst is mijns inziens sprake van concrete informatie. Datzelfde geldt voor een besluit van de aandeelhoudersvergadering tot een statutenwijziging ter opname van de enquêtebevoegdheid in de statuten.
Moet een ander orgaan nog zijn goedkeuring verlenen aan het besluit van het bestuur om een enquêteovereenkomst aan te gaan, dan kan de beursvennootschap de publicatie daarvan onder omstandigheden uitstellen.6 Bij een goedkeuringsbevoegdheid kan ook worden gedacht aan de bevoegdheid van de raad van commissarissen van een structuurvennootschap om bepaalde besluiten goed te keuren. Indien het bestuur bij een structuurvennootschap een voorstel doet om de enquêtebevoegdheid in de statuten op te nemen, dan behoeft dat voorstel tot de statutenwijziging dwingendrechtelijk de goedkeuring van de raad van commissarissen (art. 2:164/274 BW).7
Uitstel van publicatie van het besluit van het bestuur tot de statutenwijziging vanwege het feit dat de aandeelhoudersvergadering daarover nog moet stemmen is minder goed denkbaar. Die informatie moet in verband met de besluitvorming van de aandeelhoudersvergadering toch openbaar worden gemaakt.8
Informatie die rechtstreeks betrekking heeft op de beursvennootschap
Er bestaat slechts een plicht tot openbaarmaking op grond van art. 17 lid 1 Verordening marktmisbruik indien de informatie als bedoeld in art. 7 Verordening marktmisbruik rechtstreeks betrekking heeft op de beursvennootschap.9 Van informatie die rechtstreeks betrekking heeft op de beursvennootschap is sprake als de informatie directe betrekking heeft op de onderneming of organisatie van de vennootschap.10 Het toekennen van de enquêtebevoegdheid aan een betrokkene bij statuten of overeenkomst met de beursvennootschap heeft mijns inziens direct betrekking op de vennootschap. Het geeft de enquêteverkrijger de mogelijkheid om een enquêteprocedure te entameren, die rechtstreeks betrekking heeft op de beursvennootschap vanwege de publicitaire gevolgen, de kosten, het tijdsbeslag en de impact op de besluitvorming en de bedrijfsvoering.
Significante invloed op de koers
Ingevolge art. 7 lid 1 sub a Verordening marktmisbruik is er slechts sprake van voorwetenschap als openbaarmaking van de informatie een ‘significante invloed zou kunnen hebben’ op de koers van de aandelen. Aan deze definitie geeft art. 7 lid 4 Verordening marktmisbruik een nadere invulling. Dat bepaalt dat:
“Voor de toepassing van lid 1 wordt onder informatie die, indien deze openbaar zou worden gemaakt, waarschijnlijk een significante invloed zou hebben op de koers van financiële instrumenten, daarvan afgeleide financiële instrumenten, […], informatie verstaan waarvan een redelijk handelende belegger waarschijnlijk gebruik zou maken om er zijn beleggingsbeslissingen ten dele op te baseren.”
Het moet aldus informatie betreffen waarvan een doorsnee, redelijk handelende belegger ‘waarschijnlijk’ gebruik zal maken om er zijn beleggingsbeslissingen ‘ten dele’ op te baseren.11 Het uitgangspunt dat het moet gaan om informatie waarvan een redelijk handelende beleger ‘waarschijnlijk’ gebruik zal maken om er zijn beleggingsbeslissingen ‘ten dele’ op te baseren, heeft volgens Italianer tot gevolg dat al vrij snel een significante invloed op de koers bij openbaarmaking aangenomen zal worden.12 Hoff gaat nog een stap verder. Hij meent dat sprake is van voorwetenschap indien en zodra kan worden vastgesteld dat de informatie die rechtstreeks op een beursvennoot schap betrekking heeft, waarschijnlijk relevantie zou kunnen hebben voor beleggers bij het nemen van beleggingsbeslissingen. Is dat het geval, dan is daarmee zijns inziens ook gegeven dat openbaarmaking van die informatie significante invloed zou kunnen hebben op de koers van de aandelen.13
De ‘redelijk handelende belegger’ als maatman dient volgens De Kluiver als een objectieve maatstaf voor de toets of bepaalde informatie zou leiden tot het nemen van een “beleggingsbeslissing”. Het gaat om de vraag of bepaalde informatie een ‘redelijk handelend belegger’ er toe zou brengen het aandeel (of ander financieel instrument) te kopen of te verkopen. Uitsluitend als er ofwel duidelijk meer vraag naar het aandeel ontstaat en de prijs zal stijgen, ofwel duidelijk meer aanbod zal ontstaan waardoor de prijs zal dalen, is het volgens De Kluiver ‘waarschijnlijk’ dat openbaarmaking van de informatie een significant effect op de koers heeft.14 Ook Doorenbos meent dat de algemene definitie van art. 7 lid 1 sub a Verordening Marktmisbruik zo moeten worden uitgelegd dat de vereiste mate van invloed op de koers zich ‘waarschijnlijk’ zou manifesteren.15 Ik kan het betoog van De Kluiver en Doorenbos goed volgen. Art. 7 lid 4 Verordening Marktmisbruik stelt immers de eis dat de informatie bij openbaarmaking “waarschijnlijk een significante invloed zou hebben” op de koers.16
Een enquêteprocedure kan tot gevolg hebben dat de OK (onmiddellijke) voorzieningen treft en dat derden een aansprakelijkheidsprocedure jegens de beursvennootschap beginnen. Nieuwe Weme en Stevens menen dat beide zaken van invloed kunnen zijn op de koers van de aandelen van de beursvennootschap. Gelet daarop kunnen volgens hen ook koersgevoelig zijn: het indienen van een enquêteverzoek, het oordeel over de vraag of er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken te twijfelen, het al dan niet toewijzen van het enquêteverzoek, het onderzoeksrapport en het oordeel over de vraag of sprake is van wanbeleid.17
Omdat de enkele toekenning van de enquêtebevoegdheid aan een betrokkene in de statuten of bij overeenkomst met de beursvennootschap deze gevolgen (nog) niet heeft, aarzel ik of die toekenning voorwetenschap is. Het gevolg van die toekenning is slechts dat het beleid en de gang van zaken van de beursvennootschap niet alleen door de wettelijke enquêtegerechtigden, maar ook door de enquêteverkrijger onderworpen kan worden aan rechterlijke toetsing in een enquêteprocedure.
Daartegenover staat dat de toekenning van de enquêtebevoegdheid bij statuten of overeenkomst indirect ingrijpende gevolgen kan hebben voor de verhoudingen binnen een beursvennootschap. Toch verwacht ik dat er pas sprake is van voorwetenschap zodra het reëel is te veronderstellen dat een enquêteverzoek zal plaatsvinden. Tot die tijd zal een ‘redelijk handelende belegger’ deze mogelijke indirecte gevolgen naar mijn verwachting niet mede ten grondslag leggen aan zijn beleggingsbeslissing. Het lijkt mij derhalve niet ‘waarschijnlijk’ dat openbaarmaking van de informatie een significant effect op de koers heeft.
Hoe te oordelen over de situatie waarin sprake is van een conflict binnen de beursvennootschap en het bestuur de enquêtebevoegdheid ad hoc toekent aan een bevriende derde? In een dergelijke situatie is de kans dat de enquêteverkrijger zal overgaan tot het entameren van een enquêteprocedure met alle gevolgen van dien voor de beursvennootschap, groter. In dat geval is het reëel te veronderstellen dat een enquêteverzoek zal plaatsvinden. De toekenning van de enquêtebevoegdheid lijkt mij in zo’n geval informatie die een ‘redelijk handelende belegger’ mede ten grondslag zou leggen aan zijn beleggingsbeslissing. Dat geldt overigens ook voor het conflict zelf. Het lijkt mij derhalve ‘waarschijnlijk’ dat openbaarmaking van deze informatie een significant effect op de koers heeft. De beursvennootschap zal deze voorwetenschap in beginsel openbaar moeten maken, tenzij de vennootschap aannemelijk kan maken dat zij voldoet aan de voorwaarden voor uitstel.18 Voornoemde situatie zal zich alleen niet zo snel voordoen, omdat het bestuur en de raad van commissarissen onderscheidenlijk de niet uitvoerende bestuurders zelf over de enquêtebevoegdheid beschikken. Zij kunnen in geval van een conflict overgaan tot het indienen van een enquêteverzoek namens de beursvennootschap, waaraan de vennootschap zonder meer zo snel mogelijk bekendheid moet geven.19