Einde inhoudsopgave
Verrekening door de fiscus (O&R nr. 62) 2011/2.4.10
2.4.10 Verrekening door de fiscus indien beslag niet mogelijk is of bij opzettelijk toegebrachte schade
Mr. A.J. Tekstra, datum 26-04-2011
- Datum
26-04-2011
- Auteur
Mr. A.J. Tekstra
- JCDI
JCDI:ADS604778:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Invordering / Verrekening
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2006-2007, 31 124, nr. 3, p. 70.
V-N 2007/45.3, p. 59.
Deze bepaling is bij de invoering vernummerd tot art. 4:93 lid 4 Awb.
Nationale Ombudsman 4 december 2007, NTFR 2008/415, V-N 2008/5.25.
Bedacht dient te worden dat, zoals in § 1.7 al aan de orde kwam, sinds 1 januari 2008 speciaal voor de fiscus de beslagvrije voet 10% jegens een belastingschuldige lager ligt dan voor andere crediteuren. Art. 19 lid 1, laatste zin, 1w 1990 luidt sindsdien: 'Voor zover één en ander niet vatbaar is voor beslag is de derde op vordering van de ontvanger verplicht ten hoogste een tiende gedeelte daarvan aan te wenden voor betaling van de belastingaanslagen van de belastingschuldige.'
Zie V-N 2008/54.31.
Zie § 2.2.9.
Op de website van de belastingdienst wordt over deze mogelijkheid niet gerept.
In artikel 4:93 lid 4 Awb is voor het bestuursrecht de regel opgenomen dat de schuldenaar niet bevoegd is tot verrekening voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn. Via de Aanpassingswet Awb is echter per 1 juli 2009 een nieuw lid 9 aan artikel 24 Iw 1990 toegevoegd, met de volgende inhoud:
"In afwijking van artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is verrekening ook mogelijk van een voorlopige aanslag tot een negatief bedrag als bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen".
In de Memorie van Toelichting op de Aanpassingswet vierde tranche Awb1 werd ruim aandacht besteed aan dit nieuwe lid 9 van artikel 24 Iw. Onder het tot 1 juli 2009 geldende regime van artikel 24 Iw 1990 was het mogelijk om - ondanks het feit dat artikel 475c Rv bepaalt dat inkomstenbelasting begrepen in een voorlopige teruggaaf niet voor beslag vatbaar is - voorlopige teruggaven te verrekenen met openstaande belastingschulden. Deze mogelijkheid is teniet gegaan door de invoering van artikel 4:93 lid 4 Awb. De Toelichting merkte op dat dit zonder nadere voorziening in de dagelijkse invorderingspraktijk van de belastingdienst zeer ongunstig zou zijn. De ontvanger zou dan, aldus nog steeds de Toelichting, gedwongen kunnen worden om aan de ene kant straffe invorderingsmaatregelen te nemen, terwijl aan de andere kant voorlopige teruggaven zouden worden uitbetaald. Dit werd door de wetgever onwenselijk geacht.
De commentator in de V-N2 bij het voorstel voor de Aanpassingswet vierde tranche Awb toonde zich bepaald kritisch over deze uitzondering voor de fiscus op de civielrechtelijke en bestuursrechtelijke regels:
"Belangrijk is ook het voorstel art. 4.4.1.9, vierde lid3 buiten toepassing te laten indien het te verrekenen bedrag een voorlopige teruggaaf betreft. Op grond van art. 4.4.1.9, vierde lid, is de schuldenaar niet bevoegd tot verrekening voor zover beslag op de vordering van de schuldeiser nietig zou zijn. Een vergelijkbare bepaling is te vinden in art. 6:135 BW. Voor de voorlopige teruggaaf geldt op grond van art. 475c van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de beslagvrije voet, zodat - afhankelijk van de omstandigheden - die teruggaaf niet volledig voor beslag vatbaar kan zijn. Het voorstel kiest in dit verband uitdrukkelijk voor het belang van de doelmatige inning van belastingschulden, waarbij de vraag is of zulks onder omstandigheden niet op gespannen voet staat met het belang van sociale gerechtigheid."
De Nationale Ombudsman4 heeft zich, in het kader van een klacht van een belastingplichtige, eveneens zeer kritisch uitgelaten over het gegeven dat de fiscus tot verrekening pleegt over te gaan zonder rekening te houden met de beslagvrije voet van artikel 475c Rv. Hij is van oordeel dat de beslagvrije voet het bestaansminimum is dat in ons bestel aan iedere schuldenaar wordt gegarandeerd om in de noodzakelijke kosten van het levensonderhoud van hem (en zijn gezin) te kunnen voorzien. Er valt volgens de Ombudsman geen redelijke grond aan te wijzen waarom voor een bestuursorgaan andere maatstaven zouden gelden, die maken dat dit bestuursorgaan dit aan ieder gegarandeerde bestaansminimum niet zou hoeven te waarborgen. De Ombudsman beveelt in deze beslissing de Minister van Financiën aan het verrekeningsbeleid zodanig te wijzigen dat bij verrekening van een voorlopige belastingteruggaaf rekening dient te worden gehouden met de beslagvrije voet.5
De - mijns inziens terechte - kritiek van de Ombudsman heeft geleid tot een aanpassing van de Leidraad Invordering per 24 oktober 2008.6 Er is sindsdien een nieuw artikel 24.1.1 in de Leidraad opgenomen met als kopje "Voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting". De regeling luidt als volgt:
"De ontvanger is bevoegd een van de belastingschuldige te innen bedrag te verrekenen met een voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting. Als de belastingschuldige door die verrekening een bedrag aan bestaansmiddelen overhoudt dan overeenkomt met de voor hem geldende beslagvrije voet, dan zal de ontvanger, op verzoek van de belastingschuldige, de verrekening ongedaan maken voor zover hierdoor de beslagvrije voet is aangetast. Dat sprake is van aantasting van de beslagvrije voet dient door de belastingschuldige voldoende aannemelijk te worden gemaakt. Voor nog ter verrekenen termijnen van de voorlopige teruggaaf houdt de ontvanger in dat geval eveneens rekening met de beslagvrije voet."
Deze nieuwe regeling biedt een pragmatische oplossing voor het gerezen probleem. Het blijft echter de vraag waarom ten gunste van de ontvanger dient te worden afgeweken van het duidelijke en billijke uitgangspunt van artikel 4:93 lid 4 Awb, dat de overheid niet tot verrekening mag overgaan als daarmee de beslagvrije voet wordt aangetast. Dit uitgangspunt geldt via artikel 6:135 BW ook buiten het bestuursrecht 7 Nu wordt als het ware een 'piepsysteem' ingevoerd, waarbij het maar de vraag is of de belastingplichtige zich wel voldoende bewust is van deze specifieke regeling in de Leidraad Invordering 2008.8
Bij opzettelijk door de fiscus aan de belastingplichtige toegebrachte schade geeft artikel 24 Iw 1990 geen verrekeningsverbod, zoals artikel 6:135, onderdeel b, BW dat wel doet. Bepleitbaar is dat verrekening door de fiscus van een schuld aan de belastingplichtige, die het gevolg is van opzettelijk door de fiscus toegebrachte schade, strijd oplevert met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur dan wel met de eisen van de redelijkheid en billijkheid. Die zouden een beroep op verrekening kunnen beletten.