Einde inhoudsopgave
Beginsel en begrip van verdeling (AN nr. 168) 2018/9.4
9.4 Verdelingsbegrip: tweede volzin
mr. T.H. Sikkema, datum 01-06-2018
- Datum
01-06-2018
- Auteur
mr. T.H. Sikkema
- JCDI
JCDI:ADS348005:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 7.4.
Zie par. 7.3, 7.4. Zoals in paragraaf 7.4 overwogen ben ik van mening dat het hierboven bedoelde beginsel omtrent de hoedanigheid waarin de deelgenoten aan verdeling dienen mee te werken, eveneens van toepassing is op andere rechtshandelingen dan die van verdeling in strikte zin. Zo neem ik aan dat bij een op grond van het wettelijke verdelingsbegrip als verdeling aan te merken koop op grond van een rechtsfictie moet worden aangenomen dat de deelgenoten als deelgenoten daaraan hebben meegewerkt. Hieraan kan niet afdoen dat door de deelgenoten aanvankelijk in de hoedanigheid van koper respectievelijk verkoper tot de rechtshandeling is gecontracteerd. Vergelijk voor oud recht art. 1122 lid 2 OBW waarin ten aanzien van het rechtsgevolg van een tussen alle erfgenamen overeengekomen koop werd bepaald: ‘Indien een der mede-erfgenamen een stuk onroerend goed koopt, heeft zulks ten zijnen opzigte hetzelfde gevolg, als of hij het bij scheiding verkregen had.’
Zie par. 7.8. Een afwijking hiervan moet in beginsel slechts mogelijk worden geacht indien voor een dergelijke afwijking een daartoe strekkende rechtsgrond kan worden aangewezen.
Zie par. 7.8. Zie ook: hfd. 4 inzake de verdeling als nadere overeenkomst; NvW, Parl. Gesch. Boek 3, p. 613.
Zie par. 4.3.
Zie par. 4.3.
De tweede volzin van het wettelijke verdelingsbegrip van art. 3:182 BW luidt:
‘De handeling is niet een verdeling, indien zij strekt tot nakoming van een voor rekening van de gemeenschap komende schuld aan een of meer deelgenoten, die niet voortspruit uit een rechtshandeling als bedoeld in de vorige zin.’
Hoewel in de tweede volzin van het huidige art. 3:182 BW door de wetgever niet uitdrukkelijk is bepaald dat de hoedanigheid waarin de deelgenoten aan de rechtshandeling meewerken beslissend is voor de rechtsgeldige totstandkoming van de verdeling, kan uit de jurisprudentie wel worden afgeleid dat een dergelijk uitgangspunt daaraan ten grondslag ligt.1 Deelgenoten dienen aldus in de kwaliteit van deelgenoten aan de verdeling hun medewerking te verlenen.2 Uitgaande van het beginsel van de contractsvrijheid en de hoe- danigheid waarin deelgenoten aan de totstandkoming van verdeling dienen mee te werken, kan worden verdedigd dat – als uitgangspunt3 – ook het initiatief tot het aangaan van de rechtshandeling van verdeling moet liggen bij ten minste een van de tot de gemeenschapsgoederen gerechtigde deelgenoten in een dergelijke hoedanigheid.4
Met betrekking tot de slotwoorden van de tweede volzin (’die niet voortspruit uit een rechtshandeling als bedoeld in de vorige zin’) kan ten slotte nog het volgende worden opgemerkt. In deze studie is tot uitgangpunt genomen de uit de parlementaire geschiedenis blijkende (finale) opvatting van de minister dat – kort gezegd – de rechtshandeling van verdeling de causa voor de levering is en niet tevens de levering ter uitvoering van de verdeling omvat.5 In dat kader kan de betekenis van de slotwoorden van de tweede volzin niet worden verklaard uit het feit dat een op verdeling volgende levering als nakomingshandeling zonder deze slotwoorden via toepassing van de tweede volzin als een ‘niet-verdeling’ wordt aangemerkt.6 Daarmee komt niet langer goede zin toe aan de door de redactie van de wettekst geopende mogelijkheid dit anders te zien en aan de parlementaire toelichting voor zover daaruit een andersluidende opvatting kan worden afgeleid.7
Aan de slotwoorden van de tweede volzin kan overigens taalkundig gezien niet elke betekenis worden ontzegd. De als verdeling geformuleerde handeling wordt de kwalificatie ‘verdeling’ niet onthouden indien een verdelingsconstructie wordt opgezet ter nakoming van een uit een verdeling voortspruitende schuld.8