Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/5.2
5.2 Vertrouwen afgeleid uit bepalingen van het rechtshulpverdrag
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS450994:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De Nederlandse Uitleveringswet kent, zoals eerder is besproken, wel een – zeer stringente – mogelijkheid een onschuldverweer te voeren. Deze is strikt genomen in strijd met het toepasselijke verdrag indien dat verdrag geen weigeringsgrond voor een dergelijk geval kent. Die is in de meeste uitleveringsverdragen met niet-Angelsaksische landen afwezig. De redenering die dan wordt gevolgd is dat een verdragspartner in het zeer bijzondere geval dat onomstotelijk komt vast te staan dat de opgeëiste persoon het feit niet gepleegd kán hebben het uitleveringsverzoek niet door zal zetten. Zie Kamerstukken II 1964/65, 8054, nr. 3 (MvT), p. 15. Zie uitgebreid hierover V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering. Een vergelijking en kritische evaluatie in het licht van het beginsel van wederzijdse erkenning (diss. VU). Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2013,p. 615-628 en H. Sanders, Handboek Uitleverings- en Overleveringsrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 66-68.
Zie ook par. 8.2. Zie voorts: V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering. Een vergelijking en kritische evaluatie in het licht van het beginsel van wederzijdse erkenning (diss. VU). Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2013, p. 629 e.v. en H. Sanders, Handboek Uitleverings- en Overleveringsrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 20 en 153 e.v.
Zie ook par. 8.2.
Zie ook par. 8.2.
Kamerstukken II 1965/66, 8054, nr. 10, p. 7.
HR 18 maart 1986, NJ 1986, 707.
Zie bijv. art. 14, zesde lid, van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Australië inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken, Trb. 1989, 13: ‘Indien iemand zich erop beroept verplicht te zijn om te weigeren een getuigenverklaring af te leggen ingevolge het recht van de aangezochte Staat, neemt de verzoekende Staat wat dit aangaat genoegen met een schriftelijke verklaring van de Centrale Autoriteit van de aangezochte Staat.’
Expliciet in het rechtshulpverdrag opgenomen vertrouwen
Een andere vorm van vertrouwen die vaak wel correspondeert met abstract op het enkele bestaan van het verdrag gebaseerd vertrouwen, is het in concrete bepalingen en voorschriften ingebakken vertrouwen. Verdragen kunnen in meer of mindere mate ruimte laten voor weigering, toetsing van bepaalde aspecten van de samenwerking of het stellen van nadere voorwaarden of eisen. Hoe kleiner die ruimte, des te groter is het ingebakken vertrouwen. Laat een verdrag bijvoorbeeld ruimte voor toetsing van de aan een verzoek ten grondslag gelegde verdenking, dan kan niet worden gezegd dat het verdrag in concreto ertoe verplicht van vertrouwen betreffende die verdenking uit te gaan. Sluit het verdrag elke toetsing op dat gebied uit, dan verplicht het in wezen tot vertrouwen op dit punt. Of een dergelijke constellatie ook daadwerkelijk voortkomt uit expliciet op dat punt door de verdragspartijen gehuldigd vertrouwen is veelal de vraag. Meestal wordt het gebaseerd op de aard van een bepaalde rechtshulpfiguur. Dat bijvoorbeeld de exequaturrechter bij overname van executie de door de strafrechter in de vreemde staat uitgesproken veroordeling niet integraal toetst, hangt primair samen met de aard van overdracht van executie: het gaat om een taakverdeling. In dit verband is artikel 11, eerste lid, aanhef en onder a, VOGP een sprekend voorbeeld:
‘Bij omzetting van de veroordeling is de bevoegde autoriteit gebonden aan de vaststelling van de feiten voor zover deze uitdrukkelijk of impliciet blijken uit het door de Staat van veroordeling uitgesproken vonnis.’
Dit verdrag dicteert op het omschreven punt van de feitenvaststelling een in beginsel absoluut vertrouwen in (het vonnis van) de rechter in de staat van veroordeling. De rechter in de ene staat is verantwoordelijk voor de berechting en de veroordeling, de andere staat neemt daarna de tenuitvoerlegging van de sanctie voor zijn rekening. Dat neemt echter niet weg dat vertrouwen in de rechtspleging van de andere staat een noodzakelijke voorwaarde is voor een dergelijke taakverdeling.
Impliciet in het rechtshulpverdrag opgenomen vertrouwen
Van een expliciete bepaling zoals zojuist besproken hoeft bovendien geen sprake te zijn. Ook de afwezigheid van een voorwaarde of weigeringsgrond kan concreet door het verdrag gedicteerd vertrouwen opleveren. In veel uitleveringsverdragen is geen weigeringsgrond opgenomen ingeval de opgeëiste persoon aanstonds zijn onschuld kan bewijzen. Bij gebreke daarvan dicteert het verdrag derhalve vertrouwen in de in het verzoek tot uitdrukking gebrachte beschuldiging en, in zekere zin, in de latere berechting in de verzoekende staat.1
Opmerking verdient dat de afwezigheid van een bepaalde weigeringsgrond slechts dan tot concreet uit het verdrag voortvloeiend vertrouwen leidt, indien de verplichting de verzochte rechtshulp te verlenen voor het overige dwingend is geformuleerd. Indien een verdrag de samenwerking slechts facultatief regelt en dus niet dwingend voorschrijft, bestaat minder behoefte aan expliciete weigeringsgronden, aangezien het verdrag dan voldoende ruimte biedt aan elke verdragsstaat om die zelf te formuleren en toe te passen. In dergelijke gevallen zal eerder sprake zijn van een bepaling die een bepaalde vorm van toetsing expliciet verbiedt zoals in het voorbeeld uit het VOGP.
Voorbeelden
Hiervoor bleek dat in veel gevallen in de bepalingen van een bepaald rechtshulpverdrag een zeker vertrouwen besloten ligt. In de meeste gevallen gaat het dan om de afwezigheid van een bepaalde omstandigheid als weigeringsgrond of een bepaling die de andere staat ergens toe verplicht zonder toetsing toe te laten. Hierna worden enkele voorbeelden besproken.
Van de laatstgenoemde categorie zijn de specialiteitsregel, als zelfstandig in het verdrag opgenomen regel of als toezegging of garantie,2 en bepalingen omtrent de teruggave van materiaal3 en het bieden van een vrijgeleide bij kleine rechtshulp4 voorbeelden. Deze voorbeelden kunnen als op de bepalingen van het toepasselijke rechtshulpverdrag gebaseerd vertrouwen worden benaderd, aangezien het volkenrechtelijke verplichtingen zijn die zijn gericht aan de andere staat en zij overwegend juridisch van aard zijn. Hetgeen hierna in paragraaf 8.1 in het kader van de dimensie van de strekking van het vertrouwen nader zal worden uiteengezet over garanties en toezeggingen, geldt hier op eenzelfde wijze: bij meer juridisch getinte garanties, zeker wanneer die binnen de competentie van de direct betrokken autoriteit vallen kan het vertrouwen sterker zijn, dan wanneer het om meer feitelijke garanties gaat, zeker wanneer anderen dan de functionaris van wie de garantie uitgaat of die daarvoor verantwoordelijk is, bij het effectueren van feitelijke garanties een belangrijke of zelfs beslissende rol spelen. Dat betekent ook garanties over bijvoorbeeld de veiligheid van getuigen, verleend op basis van het verdrag, weliswaar een zeker vertrouwen opleveren, maar dat dergelijk vertrouwen van een andere aard is dan het vertrouwen dat juridisch getinte garanties betreft.
In sommige verdragen zijn bepaalde weigeringsgronden niet terug te vinden. Vooral interessant is de situatie dat een in het ene verdrag afwezige weigeringsgrond in andere verdragen over een bepaald rechtshulpinstrument wel te vinden is. Soms blijkt bovendien uit de totstandkomingsgeschiedenis van een verdrag dat geen sprake is van een onbedoelde omissie maar van een weloverwogen weggelaten bepaling, veelal als uiting van onderling vertrouwen; de weigeringsgrond wordt in de relatie tussen de verdragspartners overbodig geacht.
Een sprekend voorbeeld is te vinden in het BURV. Thans geldt dat niet meer in de uitleveringsrelatie (beter: overleveringsrelatie) tussen de Beneluxlanden. De uitleveringsbepalingen uit het BURV kenden echter toen zij nog wel golden, geen weigeringsgrond voor verstekzaken. De gedachte daarachter was dat een dergelijke weigeringsgrond in de verhouding tussen de Benelux-landen niet nodig zou zijn.5 De Hoge Raad paste dit ook toe in zijn jurisprudentie en ging uit van het bestaan van de mogelijkheid van verzet.6
Te denken valt ook aan aspecten die de vervolgbaarheid van de verdachte betreffen, zoals een dubbele vervolging in de vreemde staat en de afwezigheid van strafbaarheid of rechtsmacht. In het uitleveringsrecht kan de toetsing van het bewijs illustratief zijn. Overigens gaat de rechter in bijzondere gevallen toch over tot weigering (of het stellen van voorwaarden), ook al kent het verdrag daartoe geen grond. Bij een geslaagd onschuldverweer in het uitleveringsrecht is het zelfs de Uitleveringswet zelf die die mogelijkheid openlaat. De redenering is dan meestal dat zó duidelijk is dat de verzochte rechtshulp niet dient te worden verleend (of slechts onder voorwaarden zoals bij een verstekzaak), dat het ervoor moet worden gehouden dat de verzoekende staat geen bezwaar kan hebben tegen de toetsing en de daaropvolgende weigering of gestelde voorwaarden.
Ook het omgekeerde kan het geval zijn: de bepalingen van een rechtshulpverdrag kunnen expliciet op een zeker vertrouwen duiden. Soms bepaalt een verdrag dat de keuze van de verzoekende staat voor een bepaald verdrag bij samenloop van meerdere verdragen de doorslag geeft. Ook bepalingen omtrent het toepasselijke recht kunnen in dit kader worden genoemd. Meer en detail zijn te noemen bepalingen betreffende de authenticiteit van bepaalde stukken, maar ook een bepaling die het toepasselijke strafmaximum in bepaalde gevallen beperkt zoals artikel 25 EVOS. Ook de in het verdrag vastgelegde verplichting af te gaan op beweringen afkomstig van de autoriteiten van de vreemde staat betreffende de onmogelijkheid uitvoering te geven aan een bepaald verzoek omvatten een expliciete vorm van verdraggebonden vertrouwen.7