Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.2.7.1
5.2.7.1 De kring der benadeelden volgens de Richtlijn
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS399543:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Verzekeraars plachten niet slechts inzittenden, maar ook de verzekeringnemer - en niet slechts als hij tevens bestuurder was - en familieleden van de aansprakelijke van de dekking uit te sluiten.
Arrest, r.o. 27 e.v. Zie ook par. 5.22.3
Arrest, r.o. 32.
De vraag of de inzittende die willens en wetens en vrijwillig in een gestolen auto plaatsneemt zich tot het waarborgfonds kan wenden wordt in par. 5.5.8 besproken.
Zie document COM(2002) 244 definitief, 2002/0124 (COD).
Zie het in de vorige voetnoot genoemde document, p. 9.
Zie ook Van Dam, 2006, nr. 1405 - 2, die ook een verband ziet met de Zweedse en Finse oplossingen, waar de verzekeraar in de daar geldende stelsels van verkeersverzekering, eveneens de liable party' is.
De Haas & Hartlief, p. 29.
Zie document P5 - TA(2003)0446, d.d. 22 oktober 2003.
Van de vraag naar de kring van verzekerden moet worden onderscheiden die naar de kring van benadeelden wier schade dient te worden vergoed. Zie voor de vraag naar het begrip 'benadeelde' in het algemeen art. 1 onder 2 van de Richtlijn en paragraaf 4.2.1. Toch dient aan het begrip benadeelde ook op deze plaats enige aandacht te worden geschonken, met name in het kader van de vraag wie van het recht op uitkering kan worden uitgesloten.
De opeenvolgende richtlijnen hebben de mogelijkheden voor de lidstaten om polisclausules toe te staan waardoor bepaalde personen van de dekking worden uitgesloten, drastisch ingeperkt.1
Op grond van art. 3 van de 2e Richtlijn kunnen familieleden van de verzekeringnemer, van de bestuurder en van andere aansprakelijken voor wat betreft hun personenschade niet meer op grond van hun verwantschap met de aansprakelijke van dekking worden uitgesloten. De 3e Richtlijn breidt de verplichte dekking verder uit door te bepalen dat de aansprakelijkheid voor lichamelijk letsel van (alle) inzittenden, met uitzondering van de bestuurder moet worden gedekt. De door deze inzittenden en familieleden geleden zaakschade kan wel van de dekking worden uitgesloten.
Uit het arrest-Mendes Ferreira van het Hof van Justitie kan worden afgeleid dat de Richtlijn niet voorschrijft dat er aansprakelijkheid ten opzichte van inzittenden dient te bestaan.2 Dat zou een vraag zijn van harmonisatie van aansprakelijkheidsrecht en daartoe is de EU (nog) niet overgegaan. Maar als er aansprakelijkheid jegens inzittenden bestaat, dient deze te zijn gedekt en dienen ook familieleden van de aansprakelijke te worden beschermd. Het blijft derhalve mogelijk dat de nationale wet aansprakelijkheid onder bepaalde omstandigheden beperkt, bijvoorbeeld door bij kosteloos meerijden schuld van de aansprakelijk gestelde te verlangen, terwijl in andere omstandigheden een risicoaansprakelijkheid bestaat.3
De Richtlijn staat in art. 13 lid 1, tweede alinea verder toe personen die geheel vrijwillig in een gestolen auto hebben plaatsgenomen van de dekking uit te sluiten. De verzekeraar dient wel te bewijzen dat zij wisten dat het voertuig gestolen was.4
Een op het eerste gezicht merkwaardige bepaling is die van art. 12 lid 3 van de Richtlijn. De bepaling luidt als volgt:
"De in art. 3, lid, van Richtlijn 72/166/EEG bedoelde verzekering dekt lichamelijk letsel en materiële schade, geleden door voetgangers, fietsers en andere niet-gemotoriseerde weggebruikers die, als gevolg van een ongeval waarbij een motorvoertuig is betrokken, recht hebben op een vergoeding uit hoofde van het nationale burgerlijk recht. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de wettelijke aansprakelijkheid, noch aan het bedrag van de schade."
De bepaling is merkwaardig, omdat zij van de veronderstelling lijkt uit te gaan, dat lidstaten in hun nationale wetgeving zouden hebben bepaald (of willen bepalen), dat de verplichte motorrijtuigverzekering de schade aan zwakke verkeersdeelnemers zou kunnen uitsluiten.
Het artikel is een overblijfsel van een poging van de Commissie om een verdergaande bepaling in de 5e Richtlijn op te nemen. Het oorspronkelijke Commissievoorstel bevatte het volgende artikel:
"De in artikel 3, lid 1, van Richtlijn 72/166/EEG bedoelde verzekering dekt het lichamelijk letsel dat door voetgangers en fietsers is geleden als gevolg van een ongeval waarbij een motorvoertuig is betrokken, ongeacht of de bestuurder schuld draagt."5
De toelichting in overweging 14 van het Commissie-voorstel luidde als volgt:
"De verzekeringsdekking voor voetgangers en fietsers bij ongevallen waarbij een motorrijtuig betrokken is loopt in de Gemeenschap sterk uiteen. In sommige lidstaten vallen voetgangers en fietsers niet onder de verzekering van het voertuig, tenzij de bestuurder op enigerlei wijze aansprakelijk kan worden gesteld. In andere lidstaten vallen voetgangers en fietsers wel onder deze verzekeringsdekking omdat zij gewoonlijk de zwakste partij zijn. Om deze verschillen te verkleinen moet ervoor worden gezorgd dat voetgangers en fietsers door de verplichte verzekering van het bij het ongeval betrokken voertuig worden gedekt, ongeacht of de bestuurder schuld draagt of niet. Deze dekking uit hoofde van de verplichte verzekering van het voertuig laat de wettelijke aansprakelijkheid van de voetganger of fietser of het niveau van schadevergoeding naar aanleiding van een specifiek ongeval op grond van de nationale wetgeving onverlet."
De toelichting van de Commissie bij haar voorstel wijst er daarnaast op dat in lidstaten die geen verzekeringsdekking voor voetgangers en fietsers kennen, de rechtbanken dikwijls trachten de aansprakelijkheid bij de bestuurder te leggen, zodat de benadeelde onder de dekking van de motorrijtuigverzekering valt.6
Deze teksten halen op een - althans voor Nederlandse begrippen - verwarrende manier dekkings- en aansprakelijkheidsvragen door elkaar. Zij lijken sterk geïnspireerd door de Franse Loi Badinter, die ook een (vrijwel) objectieve aansprakelijkheid tegenover zwakke verkeersdeelnemers kent en eveneens is gebaseerd op het begrip 'betrokkenheid' van het motorrijtuig, maar wellicht nog meer door art. 29bis van de Belgische Wam. Terwijl immers de Loi Badinter de aansprakelijkheid op de 'gardien' legt, berust die in België op de verzekeraar.7 De Franse wet die tot doel heeft de positie van verkeersslachtoffers (niet alleen van zwakke verkeersdeelnemers) te verbeteren en de schadeafwikkeling te bespoedigen, spreekt ook niet van aansprakelijkheid, maar van 'vergoeding' ('indemnisation'). De Haas en Hartlief merken in hun studie 'Verkeersaansprakelijkheid - vergoeding van personenschade in Europees perspectief op, dat het er op lijkt, "alsof men met de Loi Badinter eerder een automatische vergoedingsregel heeft willen introduceren dan het aansprakelijkheidsrecht wijzigen".8
Het Commissie-voorstel houdt in dat de schade van de voetganger en de fietser (merkwaardig genoeg spreekt het voorstel niet over andere zwakke verkeersdeelnemers) geheel vergoed dient te worden, terwijl deze daarnaast volgens het gemene nationale aansprakelijkheidsrecht zelf ook geheel of gedeeltelijk aansprakelijk zou kunnen worden gehouden voor de schade die de motorrijtuigbestuurder (of bezitter) ten gevolge van het ongeval heeft geleden.
Deze bepaling was het Europees Parlement te revolutionair en in de eerste lezing van het Parlement sneuvelde het gehele artikel.9 In het Gemeenschappelijk Standpunt van de Raad, dat op de lezing in eerste aanleg van het Europees Parlement volgt als het Parlement het Commissievoorstel amendeert, werd de huidige tekst voorgesteld, die door het Parlement in tweede lezing werd geaccepteerd. Volgens de toelichting bij het Gemeenschappelijk Standpunt brengt de bepaling tot uitdrukking dat het nationale schadevergoedingsrecht een gepaste bescherming aan zwakke verkeersdeelnemers moet bieden, zonder dat nationale (rechterlijke) beslissingen terzake schadevergoeding worden beïnvloed. Maar als al duidelijk is wat daarmee wordt bedoeld: dat staat er niet.
De vraag rijst daarmee wat het artikel in de praktijk precies betekent. Strikt genomen staat er niet meer, dan dat de verzekering de aansprakelijkheid van het motorrijtuig ten opzichte van zwakke verkeersdeelnemers moet dekken, indien en in zoverre een dergelijke aansprakelijkheid in het concrete geval volgens het toepasselijke nationale recht moet worden aangenomen. Weinig revolutionair.
De rapporteur (in de eerste lezing in het Parlement) van de Commissie voor juridische zaken en interne markt van het Europees Parlement, Willy Rothley (D), heeft tijdens de Derde Europese Verkeersrechtdagen in Trier in 2002 opgemerkt, dat het belang van de bepaling erin is gelegen, dat zwakke verkeersdeelnemers nu als afzonderlijke categorie slachtoffers in het verkeer worden erkend, hetgeen de weg openstelt om in de toekomst op hen toegespitste bepalingen in de Richtlijn op te nemen. Een enigszins merkwaardige redenering: als de Europese wetgever een verbeterde bescherming van zwakke verkeersdeelnemers noodzakelijk zou vinden, behoeft hij daarvoor toch geen aanloopje in de vorm van een zinledige bepaling op te nemen?