Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming
Einde inhoudsopgave
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/5.5.1:5.5.1 Algemeen
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/5.5.1
5.5.1 Algemeen
Documentgegevens:
Paul Schoukens & Saskia Montebovi, datum 01-05-2021
- Datum
01-05-2021
- Auteur
Paul Schoukens & Saskia Montebovi
- JCDI
JCDI:ADS288511:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Schoukens 2020b.
Ibid. In het bijzonder de aldaar aangehaalde zaken in verband met gelijke behandeling tussen mannen en vrouwen.
Ibid.
Met een standaard arbeidsrelatie bedoelen we voltijds werken in ondergeschikt verband op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.
Nederland maakt als een van de weinige landen deze differentiatie (voor werknemers) niet; in de WIA wordt geen onderscheid gemaakt naar risque social en risque professionel.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook aan de uitkeringszijde doen zich een aantal problemen voor bij het organiseren van sociale zekerheid voor platformwerkers. In de eerste plaats kan een onvolmaakte verzekeringsloopbaan de nodige impact hebben op de toegang en/of de hoogte van de uitkering van de platformwerker. In zekere zin hebben we hier te maken met het spiegelbeeld van de problemen aan de financieringszijde. Door een onregelmatige opbouw van de verzekeringsloopbaan dreigt de platformwerker rechten te verliezen. In de tweede plaats vertalen onregelmatig opgebouwde of lage inkomsten zich ook in lage(re) uitkeringen aan het einde van de loopbaan of bij het intreden van het risico van arbeidsongeschiktheid en werkloosheid. Ten derde hebben de stelsels meer problemen bij het toekennen van prestaties bij een gedeeltelijk intreden van het risico. Zo komt men voor de nodige uitdagingen te staan indien de platformwerker slechts gedeeltelijk werkonbekwaam is. In welke mate kan men immers het verlies aan inkomen toeschrijven aan de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid? In welke mate is het in plaats daarvan veroorzaakt door een slecht(er) lopende economie? En is het überhaupt wel mogelijk om het risico van werkloosheid georganiseerd te krijgen voor de platformwerkers? Door hun (quasi)zelfstandig optreden, zijn een aantal risico’s, zoals werkloosheid en arbeidsongevallen, die gegroeid zijn vanuit het werknemerschap, moeilijk te organiseren voor (zelfstandige) platformwerkers. En kan men platformarbeid ten slotte als passende arbeid beschouwen bij het zoeken naar of aanbieden van geschikt werk? Elk van deze aspecten wordt nu iets meer van nabij bekeken.
Verzekeringsloopbaan
Platformwerk wordt vaak gekenmerkt door een onregelmatig verloop van loopbaan. Platformwerkers zijn niet op regelmatige basis werkzaam van negen tot vijf, gedurende vijf dagen in een week. Het verdiende loon is niet gekoppeld aan een standaardvolume van werkuren (tijdens de week of de maand). Socialezekerheidsregelingen die voor de opbouw van uitkeringen vertrekken van deze regelmatig opgebouwde werkschema’s zijn dan ook problematisch voor deze groep werkenden.
Voor niet-standaard werk zoals platformwerk, waarbij arbeid op een onregelmatig tijdsverloop gebaseerd is, zal men de bestaande minimumloopbaanvereisten moeten vertalen naar de toestand van de atypische arbeidskracht. Dit betekent veelal dat men de arbeid zal moeten laten meetellen vanuit het kleinst mogelijk arbeidsvolume (arbeidsuren) dat vervolgens geaggregeerd wordt in een zo ruim mogelijk referentiekader van arbeidsduur (per week, per maand, of zelfs per jaar).1 Maar sommige stelsels gaan zelfs verder en koppelen het gedeclareerde inkomen los van de parameter ‘arbeidsduur’. De sociale zekerheid vertrekt in haar opbouw dan ook van het gedeclareerde volume inkomen, zoals aangegeven per kwartaal of op jaarbasis.
De moeilijkheden die platformwerkers ondervinden bij de opbouw van de verzekeringsloopbaan zijn niet enkel problematisch voor de toegang tot sociale zekerheid, maar kunnen eveneens een negatieve impact hebben voor de hoogte of duur van de uitkeringen. Zo kan het verloop van de verzekeringsloopbaan bepalend zijn voor de uitkeringshoogte. Hoe langer men verzekerd is geweest, hoe hoger de uitkering; of hoe langer de uitkeringsduur. Dit laatste is voornamelijk het geval bij de werkloosheidsuitkeringen. Personen met een onregelmatig opgebouwde loopbaan dreigen dan ook met lagere uitkeringen en/of kortere uitbetalingsperiodes geconfronteerd te worden. Aan tal van socialezekerheidsregelingen ligt immers een verzekeringslogica ten grondslag die een langere verzekeringstrouw vertaalt in betere dekking. Het komt dan ook vaak voor dat socialezekerheidsregelingen zoals pensioen- of werkloosheidsregelingen een verzekeringsloopbaan die in vergelijking met een voltijds equivalente loopbaan afwijkt, bestraft met een inperking op hoogte of duur van uitkering. Vanuit een principe van proportionaliteit (verhouding in loopbaanduur) of vanuit wederkerigheid (relatie gedeclareerde inkomen/uitkeringshoogte) valt hier niet veel op af te dingen. Wel dient men zich ervoor te hoeden dat men de deeltijds werkende of de persoon die op basis van overeenkomsten van beperkte duur werkt, niet buitenproportioneel straft: zowel op hoogte van de gedeclareerde inkomsten als op de verkorte loopbaan.2
Wellicht nog een grotere uitdaging is het bepalen van een gegarandeerd minimum in de sociale verzekeringen voor personen die een onregelmatige loopbaan/inkomen hebben gehad. Vele stelsels in de EU zijn vanuit een sterk solidariteitsdenken overgegaan tot gewaarborgde uitkeringen binnen het stelsel van de sociale verzekeringen, zolang de verzekerde maar een bepaald volume van verzekeringsopbouw en/of inkomen kan voorleggen. Voor voltijds werkenden kan een dergelijke garantie op een basisuitkering nog te begrijpen zijn. Deze garantie wordt echter wel moeilijker toe te passen op personen wiens loopbaan of inkomen beperkt is. De vraag die de beleidsmaker dan stelt, is vanaf welk minimuminkomensniveau (aan de bijdragezijde) men een gegarandeerde uitkering dient te waarborgen. En evenzo: vanaf welk volume van de verzekeringsloopbaan dient dit te gebeuren? En wat met personen die de minima (aan inkomens- of opbouwzijde) niet hebben gehaald? Vanuit principes die betrekking hebben op de proportionele opbouw van sociale verzekeringen, inkomensequivalentie en financiële draagkracht zal men niet anders kunnen dan een grens stellen aan de noodzaak om herverdelend te werken tussen beroepsactieve personen.3 De logica van sociale verzekering kent de nodige grenzen; eens voorbij die grenzen zullen andere regelingen uit de sociale zekerheid moeten bijtreden om de nodige minimumuitkeringen te garanderen (waaronder bijvoorbeeld sociale bijstand of algemene sociale welvaartsregelingen).
Deeltijds inkomensverlies
Sommige socialezekerheidsregelingen werken met deeltijdse regelingen. De betrokkene wordt dan geacht slechts gedeeltelijk door het risico getroffen te zijn. Zo kan men in geval van pensioen deeltijds met pensioen gaan en gedeeltelijk blijven doorwerken. In het geval van arbeidsongeschiktheid kan de aandoening beperkt zijn en het verdienvermogen slechts gedeeltelijk aangetast. In het geval van werkloosheid heeft men bijvoorbeeld op deeltijdse basis de job kunnen aanhouden en strekt de werkloosheid zich maar gedeeltelijk uit.
Deeltijdse regelingen vergen een stabiel referentiekader van voltijds werk. Op basis van dit referentiekader moet immers nagegaan (gemeten) worden in welke mate het risico zich nu voltrekt. Dit bepaalt de mate van tegemoetkoming vanuit de sociale zekerheid. Indien de loopbaan echter een onregelmatig verloop heeft, soms met een onregelmatig inkomenspatroon tot gevolg, wordt het moeilijk om een vast referentiekader te hanteren. Zelfstandige (platform)arbeid valt dan ook moeilijk te rijmen met deeltijds toegekende uitkeringen (gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, gedeeltelijke werkloosheidsuitkeringen of deeltijdse pensioenen). Maar ook als de platformarbeid in ondergeschikt verband uitgeoefend wordt, brengt ze de nodige uitdagingen met zich mee voor deeltijdsregelingen in de sociale zekerheid. Hoe gaat de omvang van de deeltijdse platformactiviteit concreet vastgelegd worden? Wellicht zal ook hier meer naar het gegenereerde inkomen moeten gekeken worden om de uiteindelijke omvang van de deeltijdse uitkering vast te kunnen leggen (inkomenstoets).
Risico eigen aan de zelfstandige platformwerker?
Een aantal sociale risico’s zijn moeilijk te organiseren voor beroepsactieve personen die niet in een standaard arbeidsrelatie werken.4 Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer in de toekenningsvoorwaarden de relatie met de werkgever/opdrachtgever een belangrijke plaats inneemt. Naast de arbeidsongevallen- en beroepsziekteregeling5 neemt deze relatie een eveneens een belangrijke plaats in bij de werkloosheidsregeling. Hoewel het mogelijk is, zijn werkloosheidsregelingen voor zelfstandigen moeilijk te organiseren. Zelfstandige platformwerkers blijven er vaak van verstoken of kunnen hooguit vrijwillig toetreden tot de werknemersregelingen (wat ze doorgaans niet doen omwille van relatief te hoge premielast); maar ook in het geval ze als werknemer worden beschouwd, zal de toepassing van een werkloosheidsregeling op platformwerkers als uitdagend overkomen. Hoe moet bij toetsing van het onvrijwillige karakter van de werkloosheid het ontslag beoordeeld worden? Ten aanzien van welke werkgever moeten de toekenningsvoorwaarden beoordeeld worden? In welke mate kan de werkloze nog activiteiten en/of inkomsten genereren uit platformactiviteiten wanneer ze slechts van marginale aard zijn? Kan de bereidheid om als platformwerker aan de slag te gaan beschouwd worden als het aanvaarden van passende arbeid? Deze vragen zullen steeds meer prangend worden naarmate platformwerk alsmaar meer in ondergeschikt verband zal uitgeoefend worden. Zoals bij zelfstandige arbeid zal men vanuit de werkomgeving van platformwerker moeten vertrekken om op effectieve wijze een werkloosheidsregeling voor deze groep uit te werken.