Einde inhoudsopgave
Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen (VDHI nr. 147) 2018/9.5.1
9.5.1 Inleiding
mr. R.A.F. Timmermans, datum 01-10-2017
- Datum
01-10-2017
- Auteur
mr. R.A.F. Timmermans
- JCDI
JCDI:ADS348267:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Nadere afspraken hierover kunnen in de optieovereenkomst vastgelegd worden. Vgl. b.p.b. 2.8.1 NCGC 2016, op grond waarvan in een overnamesituatie eenzelfde plicht geldt voor het bestuur jegens de raad van commissarissen.
Zie over het polsen van (groot)aandeelhouders en voorwetenschap paragraaf 9.3.6 onder d.
Vgl. A-G Timmerman in r.o. 3.7.9 bij HR 9 juli 2010, NJ 2010/544 m.nt. Van Schilfgaarde (ASMI), die wijst op de grote mate van beleidsvrijheid van de stichting.
Zie de preambule van de NCGC 2016, waarin als uitgangspunt wordt genomen dat aandeelhouders de bereidheid moeten hebben om de dialoog met de vennootschap en mede-aandeelhouders aan te gaan.
De OK heeft herhaaldelijk analoge toepassing van art. 2:8 BW op een toekomstig aandeelhouder gesuggereerd, zie Hof Amsterdam (OK) 3 maart 1999, JOR 1999/87 (Gucci I); Hof Amsterdam (OK) 11 maart 1999, JOR 1999/89 m.nt. Brink (Breevast); Hof Amsterdam (OK) 16 oktober 2001, NJ 2001, 640; JOR 2001/251 (RNA); Hof Amsterdam (OK) 17 januari 2007, JOR 2007/42 m.nt. Blanco Fernández (Stork). Zie ook Blanco Fernández in zijn noot bij laatstgenoemde beschikking. Zie voorts Hof Amsterdam (OK) 27 mei 2010, JOR 2010/189 m.nt. Stevens (PCM), waarin de OK oordeelde dat dat mede gelet op hetgeen ingevolge art. 2:8 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd, de partij die zich aandient als toekomstig aandeelhouder in zijn handelen dat verband houdt met het verkrijgen van een belang in de vennootschap niet alleen de eigenbelangen maar ook de vennootschappelijke belangen dient te betrekken. Zie ook Asser/Maeijer/Kroeze 2015/ 228. Terughoudend in algemene zin ter zake van toekomstige aandeelhouders en art. 2:8 BW Assink/ Slagter 2013, § 11.1.
Art. 6:2 BW en art. 6:248 BW.
Zie paragraaf 9.7.2.
Het handelen van het stichtingsbestuur wordt meer prominent indien zich signalen van oorlogstijd voordoen. De werkzaamheden van het stichtingsbestuur zullen dan toenemen. De bestuurders zullen intensiever contact onderhouden met het bestuur en de raad van commissarissen van de vennootschap en hun opvattingen omtrent de voorliggende situatie willen vernemen. Zodra het vennootschapsbestuur vaststelt dat sprake is van oorlogstijd, zal dat bestuur het stichtingsbestuur tijdig en nauw bij het proces moeten betrekken. Op die manier wordt het stichtingsbestuur in staat gesteld om zijn taak en functie goed uit te voeren.1 De stichtingsbestuurders zullen zich moeten verdiepen in de intenties van de vijandige bieder of activistische aandeelhouder. Zo zou het stichtingsbestuur de mening kunnen vernemen van de vijandige bieder of activistische aandeelhouder, zodat het zich een goed en onafhankelijk beeld kan vormen van hun intenties.2 Daarnaast kan het stichtingsbestuur de visie vernemen van andere stakeholders, zoals (vertegenwoordigers van) de ondernemingsraad, vakbonden en minderheidsaandeelhouders. Dit handelen van de stichting past bij haar onafhankelijke positie. Haar wordt een grote beleidsvrijheid toegekend.3 Zij moet doen wat zij in het gegeven geval nuttig en raadzaam acht om tot een gewogen en onafhankelijk oordeel te komen omtrent de vraag of uitoefening van de optie gerechtvaardigd is.
Contacten tussen het stichtingsbestuur en verschillende stakeholders zijn mede verklaarbaar tegen de achtergrond van art. 2:8 lid 1 BW op grond waarvan de stichting als een betrokkene bij de organisatie van de vennootschap zich jegens de vennootschap en andere betrokkenen gedraagt naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Het is ook verklaarbaar in het licht van de gewenste dialoog tussen de aandeelhouders en de vennootschap enerzijds en tussen aandeelhouders onderling anderzijds die door de NCGC wordt gepropageerd.4 De stichting is weliswaar nog geen aandeelhouder, maar naar mijn mening is goed verdedigbaar dat een stichting continuïteit die nog geen aandeelhouder is onder de vigeur van art. 2:8 BW valt, juist vanwege haar taak en doelstelling waarin het vennootschappelijk belang centraal staat.5 Los van de vraag of art. 2:8 BW van toepassing is op de stichting, geldt uiteraard dat de stichting en de vennootschap met elkaar een optieovereenkomst zijn aangegaan en dat zij zich uit dien hoofde jegens elkander gedragen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.6 De stichting zal geen contractuele relatie hebben met andere stakeholders. Een onzorgvuldig handelen van de stichting zou theoretisch een onrechtmatig handelen ex art. 6:162 BW jegens derden kunnen opleveren.7 De stichting dient zich te gedragen naar hetgeen in het algemeen als maatschappelijk betamelijk wordt beschouwd. Juist voor een stichting continuïteit is hier naar mijn mening een taak en ook een voorbeeldfunctie weggelegd.