De bij dode opgerichte stichting
Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/3.7:3.7 Samenvatting
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/3.7
3.7 Samenvatting
Documentgegevens:
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232330:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk stonden artikel 4:135 BW en artikel 2:286 BW, de kernbepalingen voor de bij dode opgerichte stichting, centraal.
In 3.2 is gebleken dat voor de oprichting van een Nederlandse stichting bij uiterste wilsbeschikking nodig is een uiterste wilsbeschikking tot het oprichten van een stichting, opgemaakt door een op grond van artikel 4:55 BW bevoegde erflater bij een uiterste wil verleden ten overstaan van een Nederlandse notaris.
In 3.3 en 3.4 kwam de conversielast aan de orde. Deze last leidt ertoe dat de oprichting van een bij dode opgerichte stichting die niet is opgenomen in een Nederlandse notariële uiterste wil, wordt geconverteerd in een last tot oprichting van een stichting krachtens uiterste wilsbeschikking. Een krachtens uiterste wilsbeschikking opgerichte stichting voldoet echter niet aan de bestaanseis uit art. 4:56 BW en kan geen voordeel trekken uit makingen uit de uiterste wil waaruit de conversielast voortvloeit. De bestaanseis is daardoor het probleem van de krachtens de conversielast opgerichte stichting. De vraag is dan hoe de krachtens de conversielast opgerichte stichting gerechtigd wordt tot de voor haar bedoelde makingen. In de literatuur is gezocht naar oplossingen voor dit probleem. Perrick en Breemhaar zoeken de oplossing in de conversie van makingen voor de stichting in een lastbevoordeling. Van der Grinten en Schols nemen aan dat de krachtens de conversielast opgerichte stichting al bestaat bij het openvallen van de nalatenschap. Ook ik wil de krachtens de conversielast opgerichte stichting als al bestaand beschouwen bij het openvallen van de nalatenschap. Anders dan Van der Grinten en Schols meen ik echter dat deze stichting geen erfgenaam kan zijn vanwege het niet voldoen aan de eis van onmiddellijke identificeerbaarheid uit artikel 4:115 BW. Een eventuele erfstelling wordt in mijn visie geconverteerd in een legaat. Duitsland en België kennen ook de bestaanseis, maar niet de conversielast. Het probleem met de bestaanseis is in Duitsland opgelost door te bepalen dat als de bij dode opgerichte stichting rechtspersoonlijkheid verkrijgt (door de Anerkennung), deze stichting geacht wordt krachtens erfrecht te hebben verkregen. In België is het probleem met de bestaanseis opgelost door de fictie dat de bij uiterste wil opgerichte stichting geacht wordt te bestaan vanaf het openvallen van de nalatenschap.
De procedure tot het afdwingen van de last tot oprichting lijkt sterk op de regeling van reële executie uit artikel 3:300 BW. Hoewel de tekst van de bepaling anders doet vermoeden, betreft het een verzoekschriftprocedure, zo bleek in 3.5.
De oorsprong van de kernbepalingen is behandeld in 3.6. Sinds de invoering van de Wet op stichtingen moet een stichting worden opgericht bij notariële akte. Aan dit voorschrift lagen vooral praktische overwegingen ten grondslag. Artikel 3 lid 2 Wos bepaalde verder dat de zaken die tot haar kapitaal worden bestemd moesten worden aangewezen. De stichting werd eerst eigenaar van de aangewezen goederen na levering van die goederen of door verkrijging onder algemene titel. Daarmee is de leer van de Hoge Raad uit het Paul Tétar van Elvenfonds-arrest, inhoudende dat oprichting en making één ongesplitste rechtshandeling is, door de invoering van de Wet op stichtingen achterhaald. Sindsdien geldt de regel van de gescheiden rechtshandelingen – oprichting en begunstiging. Wil de erflater de bij dode opgerichte stichting van vermogen voorzien, dan vereist dit een making, testamentaire last of een uitkering uit een levensverzekering. Daarom is tegenwoordig artikel 4:135 lid 1 BW overbodig.