Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/1.6.3
1.6.3 De positie van de StAB
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701915:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wulffraat – van Dijk 1995, p. 302-304. Ook zeer uitgebreid over de geschiedenis van de StAB: Gaatstra, Michiels & Van Buuren 1990.
§ 4.3.4 en § 8.3.
Zie voor een treffend voorbeeld: ABRvS 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:374, AB 2021/121.
In het verleden belastte met name de Afdeling bestuursrechtspraak de StAB geregeld met adviesopdrachten van zeer algemene strekking (daarover Van den Broek, De Gier & Veldkamp 2006, p. 43).
ABRvS 8 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:6, BR 2014/46 (Leiden).
ABRvS 9 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:655, Gst. 2016/105 (Gemert-Bakel).
Koenraad, EeR 2016/4.
Wuisman, EeR 2016/5; Koenraad, EeR 2016/5; Dalen Gilhuijs & Koenraad, EeR 2018/3.
Freriks & Robbe 2001.
Van den Broek, De Gier & Veldkamp 2006.
‘Hoe bestaat het? Kroniek van een onmogelijke geschiedenis’ StAB-publicatie 2021. De publicatie is (of was tot voor kort) te bestellen via secretariaat@stab.nl. Zie over deze publicatie ook: Dalen Gilhuijs, EeR 2021/6.
In het licht van § 1.6.2 blijft een in de praktijk belangrijke deskundige in het ruimtelijke ordenings- en milieurecht in dit proefschrift buiten beschouwing, te weten de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB). Ik reflecteer in deze paragraaf op de StAB in relatie tot dit onderzoek en voorzie de lezer die daarin geïnteresseerd is van enkele bronnen voor verdere studie.
De StAB werd eind 1995 opgericht door de toenmalige minister van VROM en komt voort uit twee onderzoeksbureaus die nauw waren verbonden met het toenmalige ministerie. 1De positie en de taak van de StAB zijn formeel wettelijk verankerd in onder meer de Wro (afdeling 8.2). Kortgezegd, bestaat die taak uit het onpartijdig en onafhankelijk adviseren van de bestuursrechter op diens verzoek inzake beroepen op grond van onder meer de Wro. De StAB is daarmee een gerechtelijke deskundige zoals bedoeld in art. 8:47 Awb.
In de praktijk wordt de StAB relatief vaak door de rechtbanken en door de Afdeling bestuursrechtspraak benoemd. Ook in de voor dit onderzoek relevant zijnde planschade en nadeelcompensatiezaken. Op het moment dat de bestuursrechter conform art. 8:47 Awb de StAB inschakelt, heeft het planschade- of nadeelcompensatiegeschil al een bestuurlijk besluitvormingstraject achter de rug.
In het kader van de primaire besluitvorming is naar aanleiding van de aanvraag om (plan)schadevergoeding dikwijls reeds een integraal advies uitgebracht door een ‘onafhankelijk (plan)schadeadviseur’ aan het betrokken bestuursorgaan. Uit het vervolg van dit boek zal nog genoegzaam blijken dat het bestuursorgaan in beginsel van zo een advies mag uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid daarvan naar voren zijn gebracht. 2In de meeste dossiers waarin de StAB wordt benoemd, is sprake van (meerdere) elkaar tegensprekende adviezen van deskundigen. Het komt voor dat aanvragers reeds ter onderbouwing van hun aanvraag een deskundigenrapport overleggen. Het komt ook voor dat aanvragers, naar aanleiding van het onafhankelijk (plan)schadeadvies, een contra-expertise overleggen. Ook een combinatie van beide is mogelijk. Er volgt dan al snel een stapeling van inhoudelijk tegenstrijdige adviezen. Het is aan de StAB deze ‘battle of the experts’ te beslechten.3
De StAB wordt meestal belast met een specifieke onderzoeksopdracht afhankelijk van de (nog resterende) geschilpunten. 4De StAB wordt dan bijvoorbeeld gevraagd of sprake is van een planologisch nadeel aan de zijde van de aanvrager ten gevolge van de wijziging van het ter plaatse geldende bestemmingsplan,5 of naar de agrarische waarde van een bouwvlak direct voorafgaand aan de peildatum. 6Kortom, de onderzoeksopdracht houdt veelal verband met een specifiek geschilpunt. Dat geschilpunt kan vaktechnisch, maar ook juridisch zijn. Het komt ook wel voor dat de StAB gevraagd wordt om als het ware de gehele primaire (plan)schadebeoordeling over te doen. In dit laatste geval is ook het StAB advies aan te merken als een integraal advies.
De StAB is voor wat betreft haar werkwijze gebonden aan het regime van art. 8:47 Awb. Dat wil zeggen dat de rechter de termijn bepaalt waartegen de StAB haar rapport moet uitbrengen (lid 2 jo. lid 4). Ingevolge lid 5 kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending van het rapport schriftelijk hun zienswijzen met betrekking tot het rapport kenbaar maken. De communicatie verloopt dan doorgaans via de rechtbank naar de StAB.7 Ik heb het niet precies kunnen nagaan – zulks zou de onderzoeksgrenzen van dit proefschrift te buiten gaan –, maar het komt mij voor dat de bestuursrechter niet vaak afwijkt van het advies van de StAB.
Gelet op de rol en de positie van de StAB zoals hierboven (kortstondig) beschreven, zouden de in § 1.3 geformuleerde onderzoeksvragen ook relevant kunnen zijn voor de StAB. Bovendien is ook ten aanzien van de StAB in het verleden wel kritiek geuit over een gebrek aan transparantie. Koenraad signaleerde bijvoorbeeld dat de bestuursrechter de StAB altijd als instantie benoemt, zonder dat de rechter invloed heeft, of zelfs maar acht slaat op het individu dat in het concrete geval adviseert. Koenraad wees voorts op de weinig onthullende website van de StAB alsmede op de onduidelijke registratie van de (adviseurs van de) StAB in deskundigenregisters als het Landelijk Register van Gerechtelijke Deskundigen (hierna ook: LRGD). 8Een en ander leidde – als ik Koenraad juist interpreteer – tot een ‘black box’-gevoel.
Koenraads kritische kanttekeningen waren zeker niet zonder grond en bleven dan ook niet zonder gevolg. Na een aantrekkelijk discours in de literatuur tussen Koenraad en de opvolgend (ex-)directeuren van de StAB heeft de StAB reeds in 2018 een aantal maatregelen genomen om de transparantie rondom zichzelf als rechtspersoon en de natuurlijke personen die haar ‘bemensen' te vergroten. 9Met een aantal van de onderwerpen die in dit boek nog uitgebreid aan bod zal komen, i.e. de registratie bij deskundigenregisters en ‘disclosure statements’, is de StAB dus al aan de slag gegaan. Of die maatregelen thans hebben geleid tot een transparant benoemingsproces waarin er voldoende aandacht is voor de (controle van de) kwaliteit van de concrete persoon van de adviseur, is een onderwerp voor verder onderzoek. Deze vraag kan dan eigenlijk niet los worden gezien van de meer fundamentele vraag of de (bestuurs)rechter in het licht van rechtsstatelijke uitgangspunten überhaupt zou mogen volstaan met de benoeming van een rechtspersoon als deskundige, mede in het licht van een alsmaar groeiende behoefte aan transparantie.
Ik wil de geïnteresseerde lezer met name wijzen op de onderzoeksrapporten, gepubliceerd in boekvorm, ‘Vijf jaar StAB’10 en ‘Tien jaar StAB’11, alsmede op het door de StAB zelf uitgegeven jubileumboek voor de viering van 25 jaar StAB.12 Ook wijs ik op de hierboven aangehaalde publicaties van Koenraad.