Einde inhoudsopgave
De concern(genoten)enquête (VDHI nr. 158) 2019/5.1.2
5.1.2 Het formele, commune, Nederlandse IPR
mr. R.P. Jager, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. R.P. Jager
- JCDI
JCDI:ADS85871:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vide daarover voetnoot 289 infra. Eenzelfde notatie gebruikt Storm 2018, l.s.c.
Artikel 1 Rv heeft volgens de wetgever een waarschuwingsfunctie; vide Kamerstukken II 1999/2000, 26855, 3, p. 27 (MvT). Vide ook art. 94 Gw.
Wet van 6 december 2001 tot herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg; zie Stb. 2001, 580. Deze wet trad in werking op 1 januari 2002; vide Stb. 2001, 621 (art. 1).
De wetgever merkte in de parlementaire geschiedenis op dat hij het ‘distributie bepaalt attributie’- beginsel verouderd en achterhaald vindt; vide Kamerstukken II 1999/2000, 26855, 3, p. 10 en 22-24 (MvT).
Strikwerda en Schaafsma, op. cit., p. 128.
Mijns inziens ten onrechte anders: Van Solinge en Bulten, op. cit., p. 127; Van Solinge 2006, op. cit., p. 224; Van Solinge in zijn noot, onder 6, bij HR 25 juni 2010, JOR 2010/226, m.nt. G. van Solinge (e-Traction). Vide over laatstgenoemde ook Laagland, op. cit., p. 43. Bovendien anders: Rammeloo, op. cit., p. 9, alwaar hij – ten onrechte – opmerkte dat de aanvullende rechtsmachtgrond als bedoeld in art. 3, aanhef en onderdeel a, Rv art. 995 Rv onverlet laat. Ten eerste bevat het eerstgenoemde artikel geen ‘aanvullende’ rechtsmachtgrond. Ten tweede wordt het laatstgenoemde artikel niet onverlet gelaten, omdat, zoals gezegd, de wetgever met het ‘distributie bepaalt attributie’-beginsel gebroken heeft. Cf. HR 25 juni 2010, JOR 2010/226, m.nt. G. van Solinge, r.o. 6.2.2 (e-Traction).
Kamerstukken II 1999/20, 26855, 3, p. 43 (MvT).
Ibid.
(Kennelijk) evenzo Buijn en Storm, op. cit., p. 978; Strik 2014, op. cit., p. 1021 (vide ook p. 1022); Storm 2018, op. cit., p. 62. Mijns inziens ten onrechte anders: Jager 2014, op. cit., p. 49. Voorts anders: Vlas 2017, op. cit., p. 229 (nr. 330), die opmerkte dat in de commune bevoegdheidsregels als bedoeld in art. 1-14 Rv voor de bevoegdheid van de Ondernemingskamer om van een enquêteverzoek ten aanzien van het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon die gevestigd is op het grondgebied van een staat die niet gebonden is aan de EEX-Vo of het EVEX-Verdrag, kennis te nemen geen kapstok te vinden is.
Daarbuiten vallen (dus) de belanghebbenden die níét in het verzoekschrift zijn opgenomen, maar die wél op bevel van de rechter zijn opgeroepen; vide Kamerstukken II 1999/20, 26855, 5, p. 17 (NV).
Meestentijds is de ‘belanghebbende’ tevens de facto de ‘verweerder’. Laatstgenoemde term wordt echter niet gebezigd, omdat alleen de eerstgenoemde term in de derde titel van Boek 1 Rv wordt gehanteerd. Voorts zij erop gewezen dat hier geen sprake is van subsidiariteit in dier voege dat de Nederlandse rechter eerst dient na te gaan of de verzoeker alhier zijn woonplaats heeft en pas indien dat niet het geval is, moet beoordelen of een belanghebbende te onzent woonachtig is. Vide Kamerstukken II 1999/20, 26855, 3, p. 30 (MvT).
Met het begrip ‘woonplaats’ wordt gedoeld op het Nederlands rechtelijke begrip woonplaats als gedefinieerd in art. 1:10 BW; vide Kamerstukken II 1999/20, 26855, 3, p. 28 (MvT). In art. 3, aanhef en onderdeel a, Rv wordt ook gesproken van ‘gewone verblijfplaats’. Ik volsta met daarover op te merken dat woonplaats en gewone verblijfplaats van ‘gelijke rang’ als aanknopingspunt voor rechtsmacht zijn (vide Kamerstukken II 1999/20, 26855, 3, p. 29 (MvT)) in dier voege dat de rechter niet eerst behoeft na te gaan of de verzoeker/belanghebbende hier zijn woonplaats heeft om pas daarna te kijken of de gewone verblijfplaats zich in Nederland bevindt.
Vide Kamerstukken II 1999/20, 26855, 3, p. 29 (MvT).
Vide HR 23 maart 2012, NJ 2012/393, m.nt. P. van Schilfgaarde, JOR 2012/141, m.nt. M.W. Josephus Jitta en T. Barkhuysen, r.o. 4.1.3 (e-Traction).
Vide ook Strik 2014, op. cit., p. 1022. Cf. Ibili 2007, op. cit., para 3.5.6.
Vide ook F. Ibili, ‘Toepassing van de EEX-bevoegdheidsregels op verweerders uit derde landen: naar een universeel formeel toepassingsgebied’, WPNR 2011/6892, p. 533 (voetnoot 5). Mijns inziens ten onrechte anders: Rammeloo, op. cit., p. 9: ‘De aanvullende rechtsmachtgrond van art. 3a Rv (woonplaats verzoekers in Nederland is rechtsmachtscheppend) laat evenwel onverlet dat art. 995 Rv voorschrijft, dat ten aanzien van verzoekschriften betrekking hebbend op de in boek 2 BW geregelde materie bevoegd is de rechter van de woonplaats (wederom: statutaire zetel is bepalend) van de rechtspersoon. Derhalve komt de Ondernemingskamer evenmin rechtsmacht toe ten aanzien van statutair buiten EEX/EVEX-territoir gevestigde rechtspersonen die hier te lande hun werkelijke zetel (hoofdbestuur) hebben [curs. RPJ].’
In deze paragraaf staat de vraag centraal of de Ondernemingskamer bevoegd is van een verzoek tot het gelasten van een enquête kennis te nemen indien en voor zover dat (mede) is gericht op het beleid en de gang van zaken van een groepsmaatschappij die is opgericht naar het recht van een niet-lidstaat en op het grondgebied van deze haar (statutaire) zetel (= woonplaats)1 heeft.
Er zij aan herinnerd dat uit art. 1 Rv (cf. art. 10:1 BW) volgt dat de bevoegdheidsregels van de EEX-Verordening II prevaleren boven de commune bevoegdheidsregels als bedoeld in art. 1-14 Rv.2 Pas als de eerstbedoelde regels niet van toepassing zijn, komen de laatstbedoelde regels in beeld. Indien het enquêtesubject zijn statutaire zetel niet op het grondgebied van een lidstaat heeft, dan dient ingevolge art. 6, eerste lid, EEX-Vo II de rechter zijn bevoegdheid in beginsel vast te stellen aan de hand van de commune bevoegdheidsregels van de desbetreffende lidstaat. De Ondernemingskamer zal alsdan haar bevoegdheid moeten ophangen aan een kapstok in afdeling 1 van titel 1 van Boek 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
In dat verband is het van belang vooreerst op te merken dat met de invoering van die afdeling, een en ander per 1 januari 2002,3 de wetgever heeft gebroken met het ‘distributie bepaalt attributie’-beginsel,4 houdende dat de internationale bevoegdheid (attributie van rechtsmacht) werd gekoppeld aan de interne, relatieve bevoegdheid (distributie van rechtsmacht).5 Dit brengt mee dat de bevoegdheid van de Ondernemingskamer niet (langer) gestoeld kan worden op art. 995, eerste lid, eerste volzin, Rv, houdende dat, tenzij anders is bepaald, in de zaken die ingevolge het bij of krachtens Boek 2 BW bepaalde met een verzoekschrift worden ingeleid, de rechter van de woonplaats van de rechtspersoon bevoegd is, in verbinding met art. 2:345, eerste lid, BW.6
Door te breken met het hogergenoemde beginsel kan de situatie ontstaan waarin aan de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt terwijl er aanknopingspunten zijn die een dergelijke rechtsmacht wel gewenst maken, ter voorkoming waarvan dat beginsel in art. 10 Rv is gehandhaafd als een soort ‘sluitsteen’ of ‘vangnet’.7 Daarin is, voor zover hier van belang, bepaald dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft indien zulks voortvloeit uit andere wettelijke bepalingen tot aanwijzing van een bevoegde rechter dan die vervat in afdeling 3 van titel 2 van Boek 1 Rv (relatieve bevoegdheid rechter in dagvaardingsprocedure in prima) en in afdeling 2 van titel 3 van Boek 1 Rv (relatieve bevoegdheid rechter in verzoekschriftprocedure in prima). Specifieke regelingen voor – zich buiten die twee afdelingen bevindende – relatieve bevoegdheid behouden een dubbele functie, voor zover (i) door de bepalingen van de eerste afdeling van de eerste titel van Boek 1 Rv niet is voorzien in rechtsmacht van de Nederlandse rechter én (ii) uit de specifieke bepaling zelf niet voortvloeit dat zij alléén op de interne relatieve bevoegdheid ziet.8
Reeds op de eerstgenoemde voorwaarde zou een eventueel beroep op art. 10 Rv sneven, aangezien de Ondernemingskamer, de hoogst uitzonderlijke situatie waarin geen enkele van de procespartijen in de geëntameerde enquêteprocedure zijn woonplaats in Nederland heeft, daargelaten, haar rechtsmacht kan baseren op art, 3, aanhef en onderdeel a, Rv.9 Daarin is bepaald dat, voor zover hier van belang, in zaken die bij verzoekschrift moeten worden ingeleid, de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, indien hetzij (een van) de verzoeker(s), hetzij een van de – in het verzoekschrift genoemde –10 belanghebbenden11 in Nederland zijn woonplaats12 heeft. Dit artikel heeft uitsluitend betrekking op zaken waarop de derde titel van Boek 1 Rv, te weten de verzoekschriftprocedure in prima (art. 261et seq. Rv), van toepassing is.13 Aangezien op de enquêteprocedure de bepalingen van die titel van toepassing zijn,14 valt een verzoek als bedoeld in art. 2:345, eerste lid, BW binnen de reikwijdte van art. 3, aanhef en onderdeel a, Rv. Overigens, en wellicht ten overvloede, zij gereleveerd dat het laatstgenoemde artikel niet de eis stelt dat in een enquêtezaak de gerekestreerde(n) zijn (hun) woonplaats in Nederland heeft (hebben); voldoende voor de rechtsmacht van de Ondernemingskamer is dat een (van de) ver- zoeker(s) dan wel een van de te enquêteren groepsmaatschappijen of een (andere) belanghebbende, zoals een aandeelhouder, curator of een bestuurder/commissaris, zijn woonplaats te onzent heeft. Een hele ruime rechtsmachtbepaling dus.15
De hogergenoemde vraag, houdende of de Ondernemingskamer bevoegd is om van een verzoek tot het gelasten van een enquête kennis te nemen indien en voor zover dat (mede) is gericht op het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon die naar het recht van een niet-lidstaat is opgericht en op het grondgebied van deze zijn (statutaire) zetel heeft, dient dan ook – met een beroep op art. 3, aanhef en onderdeel a, Rv – bevestigend te worden beantwoord, met dien verstande dat (een van) de enquêteverzoeker(s) of een belanghebbende als hiervoor bedoeld hier te lande zijn woonplaats heeft.16