Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/8.6.3:8.6.3 Getuigen aan wie toezeggingen zijn gedaan
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/8.6.3
8.6.3 Getuigen aan wie toezeggingen zijn gedaan
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met de aanduiding getuigen aan wie toezeggingen zijn gedaan, wordt gedoeld op verdachten en veroordeelden die in ruil voor een toezegging van de zijde van justitie bereid zijn te verklaren ten overstaan van justitie. Deze personen worden in het dagelijks taalgebruik en de literatuur ook wel aangeduid als kroongetuigen. De regeling voor getuigen aan wie toezeggingen zijn gedaan is gecreëerd om verdachten en veroordeelden trachten te verleiden tot het afleggen van een verklaring ten behoeve van de bestrijding van georganiseerde criminaliteit. Met het doen van een toezegging door het Openbaar Ministerie dat strafvermindering zal worden gevorderd (art. 226g lid 1 Sv) of dat zal worden ingestemd met een gratieverzoek (art. 226k lid 1 Sv), hoopt men de verklaringsbereidheid van personen te vergroten en verdachten en veroordeelden te bewegen tot het afleggen van verklaringen. Indien aan de getuige toezeggingen zijn gedaan, dan geldt het regime neergelegd in de artikelen 44a Sr en 226g-226k Sv.1
De wet kent geen definitie van de getuige aan wie toezeggingen zijn gedaan. De verdachte of veroordeelde komt deze status in ieder geval toe op het moment dat daadwerkelijk een afspraak is gemaakt. Op dat moment kunnen de afgelegde verklaringen ook voor het bewijs worden gebruikt. Echter, aan het maken van een afspraak en het afleggen van een verklaring ten behoeve van het bewijsgebruik gaat een heel traject van onderhandeling vooraf en de normering van de processuele positie van de getuige zelf is al in een eerdere fase, voorafgaand aan het afleggen van een verklaring wenselijk. De vraag is op welk moment aan een getuige deze bijzondere status toekomt: op het moment dat de verdachte of veroordeelde wordt benaderd met het verzoek een verklaring af te leggen in ruil voor een toezegging, op het moment dat de verdachte zijn bereidheid heeft uitgesproken om een verklaring af te leggen of op het moment dat hij deze verklaring ook daadwerkelijk aflegt? De wet biedt op dit punt geen duidelijkheid. Dit ligt anders bij de bedreigde en afgeschermde getuige, waar als gevolg van de formele definities die in het wetboek worden gehanteerd, de status van bedreigde of afgeschermde persoon aan de te horen persoon toekomt op het moment dat deze als zodanig is aangemerkt door de rechter-commissaris. Crijns gaat er in zijn proefschrift van uit dat de rechtsbetrekking met de strafvorderlijke overheid ontstaat op het moment dat de verdachte of veroordeelde wordt benaderd met het verzoek om een verklaring af te leggen.2 Vanaf dat moment komt de persoon in kwestie de bijzondere hoedanigheid van ‘getuige aan wie toezeggingen zijn gedaan’ toe en kan hij aanspraak maken op de daaraan verbonden rechten en plichten.
Het probleem met de verklaringen van getuigen aan wie toezeggingen zijn gedaan is niet zozeer de beperkte toetsingsmogelijkheden, want deze getuigen verschijnen in beginsel wel ter terechtzitting om een verklaring af te leggen, maar is gelegen in de mogelijke onbetrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen. Het gaat immers om personen die ofwel zelf een strafrechtelijk verleden hebben ofwel onder verdenking staan van een strafbaar feit en die naar verwachting baat hebben bij het afleggen van een belastende verklaring doordat hen compensatie in het vooruitzicht wordt gesteld in de vorm van strafvermindering of gratie. De kans is immers reëel dat zij zaken voor zichzelf rooskleuriger en voor de ander zwaarder voorstellen dan ze in werkelijkheid zijn (geweest).3 Vanwege de risico’s die aan het bewijsgebruik zijn verbonden, geldt een apart bewijsminimum neergelegd in artikel 344a lid 4 Sv.4 De rechter kan een eventuele bewezenverklaring niet uitsluitend baseren op getuigen met wie een afspraak is gemaakt.
Naast de hierboven uiteengezette wettelijke categorieën kent de praktijk eigen onderscheidingen. Zoals hiervoor al duidelijk werd kan ook worden gedifferentieerd tussen personen die verklaren ten behoeve van de eerste vraag van artikel 350 Sv (ofwel de vraag of het tenlastegelegde kan worden bewezen) en personen die verklaren met het oog op een van de andere vragen van artikel 350 Sv, zoals de vraag naar de schuld van de verdachte of de strafmaat. In aanwijzingen en richtlijnen van het Openbaar Ministerie vindt men ook nog enkele regelingen speciaal ontworpen voor een aantal bijzondere kwetsbare getuigen, zoals kindgetuigen, slachtoffers van zedendelicten en personen met een verstandelijk beperking. In het Wetboek van Strafvordering komt men deze onderscheidingen niet tegen. De enige bepalingen waar een spoor hiervan is terug te vinden, betreft de artikelen aangaande de beëdiging en de motivering. Ten aanzien van de eedaflegging is bepaald dat getuigen met een gebrekkige ontwikkeling of een ziekelijke stoornis van de geestvermogens waarvan de rechter meent dat zij de betekenis van de eed niet voldoende beseffen en getuigen jonger dan zestien jaar, niet worden beëdigd maar worden aangemaand (art. 216a lid 2 Sv). Tevens schrijft artikel 360 lid 1 voor dat ten aanzien van het gebruik van verklaringen afkomstig van deze getuigen een bijzondere motiveringsplicht geldt in verband met de potentiële onbetrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen. De rechter moet in het bijzonder de reden opgeven voor het gebruik van deze verklaring voor het bewijs. Die eis geldt echter niet indien diezelfde verklaringen zijn neergelegd in een proces-verbaal van politie.5