Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/4.3.2
4.3.2 Uitzondering: toepassing van grondrechten
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233728:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
U.S. District Court (District of Columbia) 4 april 2014, 35 F.Supp.3d 56 (Al-Aulaqi v. Panetta). Zie eerder nog in andere zin U.S. District Court (District of Columbia) 7 december 2010, 727 F.Supp.2d 1 (Al-Aulaqi v. Obama). Daarin zag de lagere rechter, onder verwijzing naar de political question-doctrine en El-Shifa, wel van een inhoudelijke beoordeling af. In deze eerdere zaak was de vordering echter veel breder ingestoken en werd daarmee ook de aanwezigheid van het Amerikaanse leger in de regio als zodanig ter discussie gesteld.
U.S. District Court (District of Columbia) 4 april 2014, 35 F.Supp.3d 56 (Al-Aulaqi v. Panetta), 59-64.
Idem, p. 66.
Idem, p. 69.
Idem, p. 70: ‘El-Shifa is distinguishable from this case in key respects – the El-Shifa plaintiffs were not U.S. citizens and there was no allegation that they had a substantial connection to the United States that might have given rise to cognizable Fifth Amendment rights.’
U.S. Court of Appeals (D.C. Circuit) 14 oktober 1988, 859 F.2d 929 (Committee of U.S. Citizens Living in Nicaragua v. Reagan).
Idem, p. 935.
Zie in het bijzonder de in paragraaf 3.5 besproken rechtspraak, waaronder U.S. Supreme Court 26 maart 2012, 566 U.S. 189 (Zivotofsky v. Clinton); U.S. Supreme Court 30 juni 1986, 478 U.S. 221 (Japan Whaling Association v. American Cetacean Society); U.S. Supreme Court 28 juni 1976, 427 U.S. 347 (Elrod v. Burns).
Niet-Amerikaanse staatsburgers kunnen in beginsel geen beroep doen op grondrechten uit de Amerikaanse Grondwet. Zie recent U.S. Supreme Court 29 juni 2020, 140 S.Ct. 2082 (Agency for International Development v. Alliance for Open Society), 2086-2087: ‘[I]t is long settled as a matter of American constitutional law that foreign citizens outside U.S. territory do no possess rights under the U.S. Constitution.’ Een en ander ligt genuanceerder wanneer zij zich binnen Amerikaans grondgebied bevinden of in gebieden waar de Amerikaanse overheid volledig en effectief gezag uitoefent. Dit laatste speelde bijvoorbeeld in de zaken over Guantanamo Bay en de vraag of vijandige strijders zonder de Amerikaanse nationaliteit aan de Amerikaanse Grondwet het recht kunnen ontlenen om hun detentie op Guantanamo Bay ter discussie te stellen. Zie daarover paragraaf 5.5.1.3 hierna.
Van Rossem en Spijkers 2016, p. 147-149, met verdere verwijzingen, mede naar aanleiding van U.S. Supreme Court 25 maart 2008, 552 U.S. 491 (Medellín v. Texas). Mensenrechtenverdragen worden volgens beide auteurs door de President en de Senaat vaak van verklaringen voorzien die rechtstreekse werking afwijzen.
Wel past bij dit alles een belangrijke kanttekening: uit dezelfde rechtspraak blijkt dat lagere rechters mogelijk wel bereid zijn tot een inhoudelijke beoordeling indien de gevolgen van de bestreden handeling of beslissing worden ondervonden door Amerikaanse staatsburgers en door hen of hun nabestaanden uitdrukkelijk een beroep is gedaan op grondrechten.
Ter illustratie hiervan kan worden gewezen op de zaak Al-Aulaqi v. Panetta.1 Net als een van de eerder besproken zaken, heeft deze zaak betrekking op een in Jemen uitgevoerd bombardement op al-Qaida-strijders. Bij dat bombardement was echter ook de zoon van een strijder gedood.2 Een nabestaande van deze strijder en diens zoon daagde verschillende overheidsfunctionarissen die bij de besluitvorming hierover betrokken waren, onder wie Leon Panetta, voormalig directeur van de CIA en minister van Defensie, voor de rechter. Daarbij deed de nabestaande uitdrukkelijk een beroep op diverse grondrechten uit de Amerikaanse Grondwet.3
De gedaagde functionarissen brachten ook in deze zaak de political question-doctrine in stelling. De lagere rechter ging daar in dit geval echter niet in mee. Daarbij stelde hij voorop dat de uitoefening van de grondwettelijke bevoegdheden van de President en het Congres op het gebied van het buitenlands beleid niet in alle gevallen aan een inhoudelijke beoordeling van de rechter hoeft te zijn onttrokken. Dit geldt in het bijzonder wanneer grondrechten van Amerikanen in het geding zijn:
‘The powers granted to the Executive and Congress to wage war and provide for national security does not give them carte blanche to deprive a U.S. citizen of his life without due process and without any judicial review. The interest in avoiding the erroneous deprivation of one’s life is uniquely compelling.’4
De lagere rechter stelde vast dat deze zaak in een wezenlijk opzicht verschilde van El-Shifa en de hiervoor besproken andere zaken: anders dan in deze andere zaken, waren de slachtoffers in deze zaak Amerikaanse staatsburgers. Dit gegeven, samen met het uitdrukkelijke beroep op grondrechten, was volgens de lagere rechter voldoende om de political question-doctrine in deze zaak buiten werking te stellen.5
Ter ondersteuning hiervan verwees de lagere rechter nog naar de eerder beslechte zaak Committee of U.S. Citizens Living in Nicaragua v. Reagan.6 Daarin stond de Iran-Contra-affaire centraal: het verlenen van financiële steun aan de Contra’s in Nicaragua met opbrengsten uit geheime wapenleveringen aan Iran. Sommige Amerikanen die in het land verbleven meenden dat de gewapende strijd van de Contra’s tegen de regering inbreuk maakte op hun vrijheden en eigendommen, en daarmee op grondrechten. Volgens hen kon de Amerikaanse overheid daarvoor aansprakelijk worden gehouden, nu de regering de Contra’s in het geheim had gesteund. Dit beroep op grondrechten stelde volgens de lagere rechter ook in dit geval de political question-doctrine buiten werking:
‘Appellants contend that funding of the Contras deprives them of liberty and property ‘without due process of law’ not only because they are generally threatened by the war in Nicaragua but also because they are intended targets of the Contra ‘resistance’. These are serious allegations and not ones to be dismissed as nonjusticiable.’7
Het aannemen van een uitzondering bij een beroep op grondrechten is in lijn met de in het vorige hoofdstuk besproken rechtspraak van het Hooggerechtshof.8 Zoals beschreven, heeft het Hof daarin duidelijk gemaakt dat de political question-doctrine in beginsel niet in de weg staat aan het uitleggen en toepassen van nationaal en internationaal recht en aan het toetsen van wetgeving aan de Amerikaanse Grondwet. Het ligt voor de hand dat de rechter in dat kader ook toetst aan grondrechten.
Het probleem is echter dat het juist bij beslissingen en maatregelen op het gebied van het buitenlands beleid geen gegeven is dat de gevolgen daarvan door Amerikaanse staatsburgers worden ondervonden. Daarbij moet worden bedacht dat dergelijke beslissingen vaak gevolgen zullen hebben buiten Amerikaans grondgebied. Dat Amerikaanse staatsburgers daarvan het slachtoffer worden, lijkt daarmee eerder een uitzondering.9 Daarnaast geldt dat mensenrechtenverdragen, als ze al zijn geratificeerd, vaak geen rechtstreekse werking hebben in de Amerikaanse rechtsorde.10