Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort
Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/4.2.2:4.2.2 Artikel 2:10 BW en artikel 3:15a/3:15i BW
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/4.2.2
4.2.2 Artikel 2:10 BW en artikel 3:15a/3:15i BW
Documentgegevens:
mr. drs. C.M. Harmsen, datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180139:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken 23 024, Tweede Kamer, vergaderjaar 1992-1993, nr. 6 (MvA), p. 1-2.
Zie paragraaf 2.3.3.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het kader van de wijziging van zowel (de voorganger van) artikel 2:10 BW als (de voorganger van) artikel 3:15i BW per 1 januari 1994, is door de minister een relevante uitspraak gedaan over de vraag of artikel 2:10 BW en artikel 3:15i BW naast elkaar van toepassing zijn voor privaatrechtelijke rechtspersonen naar Nederlands recht. Als antwoord op de vraag over de verplichtingen voor het voeren van een administratie van een in Nederland werkzame buitenlandse rechtspersoon, verklaart de minister:1
“Het antwoord op de vraag ligt besloten in het voorgestelde artikel 15a van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Volgens dit wetsartikel is een ieder die een bedrijf of zelfstandig een beroep uitoefent, verplicht van zijn vermogenstoestand en van alles betreffende zijn bedrijf of beroep, naar de eisen van dat bedrijf of beroep, op een zodanige wijze een administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen kunnen worden gekend. In het algemeen kan worden gesteld dat deze bepaling ook geldt voor buitenlandse rechtspersonen voor zover zij in Nederland een bedrijf uitoefenen.”
Uit het door mij onderstreepte gedeelte van het antwoord van de minister zou – zij het met de nodige voorzichtigheid – kunnen worden afgeleid dat (thans) artikel 3:15i BW ook geldt voor privaatrechtelijke rechtspersonen naar Nederlands recht. Wanneer iets ook geldt voor een buitenlandse rechtspersoon, voor zover die rechtspersoon een bedrijf uitoefent in Nederland, ligt de uitleg voor de hand dat dit in de basis al gold voor de privaatrechtelijke rechtspersoon naar Nederlands recht, die een bedrijf uitoefent in Nederland. Dat zou dan leiden tot de conclusie dat ook na 1 januari 1994 de artikelen 2:10 BW en 3:15a BW/3:15i BW nevengeschikt zijn en beide op de privaatrechtelijke rechtspersoon naar Nederlands recht van toepassing zijn.
Het bovenstaande citaat komt uit de parlementaire geschiedenis behorende bij de wetswijziging per 1 januari 1994. Daarbij werd de administratieplicht in artikel 3:15a BW uitgebreid ten opzichte van artikel 6 WvK door deze ook op te leggen aan een ieder die zelfstandig een beroep uitoefent naast een ieder die een bedrijf uitoefent. Uit dit citaat lijkt te volgen dat de minister voor een rechtspersoon de mogelijkheid van het zelfstandig uitoefenen van een beroep niet voor ogen had. Wanneer dat wel het geval zou zijn geweest, had toevoeging van de mogelijkheid van de zelfstandige beroepsbeoefening door de rechtspersoon voor de hand gelegen. Dat betekent echter niet dat een Nederlandse of buitenlandse rechtspersoon geen beroep zou kunnen uitoefenen in Nederland.2