Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort
Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/4.2.3:4.2.3 Algemene wet inzake rijksbelastingen
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/4.2.3
4.2.3 Algemene wet inzake rijksbelastingen
Documentgegevens:
mr. drs. C.M. Harmsen, datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180234:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken 21 287, Tweede Kamer, vergaderjaar 198801989, nr. 3 (MvT), p. 2.
Kamerstukken 21 287, Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989, nr. 3 (MvT), p. 6.
Kamerstukken 21 287, Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989, nr. 3 (MvT), p, 11.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het kader van de wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is ook de verhouding tussen de voorgangers van de artikelen 3:15i BW en 2:10 BW aan de orde geweest. Uit drie citaten uit de Memorie van Toelichting lijkt te volgen dat de minister hier voor ogen had dat artikel 6 WvK niet van toepassing was voor rechtspersonen omdat daarvoor artikel 2:14 (oud) BW gold:
“Overigens is de ondernemer ook in het algemeen reeds ingevolge artikel 6 van het Wetboek van Koophandel en is ook een rechtspersoon ingevolge de artikelen 14 (en 24) van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek verplicht tot het voeren van een boekhouding (…).”1
en
“Voor de wettelijke formulering van de administratieverplichting is ter wille van de uniformiteit aansluiting gezocht bij civielrechtelijke bepalingen op overeenkomstig gebied. Dit is in het huidige artikel 53a van de Algemene Wet overigens ook reeds het geval. Ik wijs met name op de artikelen 6 van het Wetboek van Koophandel en 14 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, welke artikelen, globaal samengevat, de ondernemer respectievelijk de rechtspersoon, verplichten zodanig aantekening te houden van hun vermogenstoestand en (voor wat betreft de ondernemer) van alles wat zijn bedrijf betreft dat te allen tijde hun rechten en verplichtingen gekend kunnen worden.”2
en
“Het aldus afbakenen van de kring van administratieplichtigen schept in feite geen nieuwe werkzaamheden voor de tot deze kring behorende lichamen en personen, omdat ieder die een bedrijf of beroep uitoefent c.q. iedere rechtspersoon reeds op grond van artikel 53a van de Algemene wet, van artikel 6 van het Wetboek van Koophandel of van artikel 14 Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek verplicht is tot het voeren van een boekhouding (…).”3
Hoewel de bovenstaande citaten geen duidelijk antwoord geven op de vraag of de artikelen 2:10 BW en 3:15i BW als nevengeschikt of ondergeschikt moesten worden gezien, wekken de citaten ten minste de indruk dat de opinie was dat voor een rechtspersoon alleen artikel 2:10 BW gold en voor een ieder die een bedrijf uitoefende anders dan de rechtspersoon artikel 3:15i BW. Anders is het woord respectievelijk in het tweede citaat en de afkorting c.q. in het derde citaat moeilijk te begrijpen. Echter, de drie citaten blinken niet uit in helderheid qua formulering en het is hier niet de civiele wetgeving die centraal staat maar de fiscale wetgeving.