Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/4.3.2.3
4.3.2.3 Artikel 8 EVRM
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS448745:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 9 december 1994, López Ostra/Spanje (zaaknr. 16798/90).
EHRM 9 juni 2005, Fadeyeva/Rusland (zaaknr. 55723/00).
Overigens was het EHRM van oordeel dat Fadeyeva niet verweten kon worden dat zij in een bufferzone woonde (zie EHRM 9 juni 2005, Fadeyeva/Rusland, r.o. 120 (zaaknr. 55723/00)). In dit verband wees het erop dat, toen zij daarnaar in 1982 verhuisde, er een tekort aan woningen bestond en dat bijna alle woningen van de overheid waren. Het EHRM vond het dan ook waarschijnlijk dat Fadeyeva geen andere keuze had gehad dan de door de overheid te huur aangeboden flat te accepteren. Verder overwoog het dat informatie over het milieu in 1982 relatief schaars was, waardoor Fadeyeva de ernst van de vervuiling mogelijk onderschat had. Ook achtte het EHRM het belangrijk dat zij de woning rechtmatig van de overheid huurde, terwijl de overheid geweten moest hebben dat de flat in een bufferzone lag en dat de milieusituatie daar erg slecht was.
Een zaak die grote gelijkenis vertoont met de zaak-Fadeyeva/Rusland is EHRM 10 februari 2011, Dubetska e.a./Oekraïne (zaaknr. 30499/03). In deze zaak woonden de klagers dicht bij een kolenmijn met een bijbehorende kolenverwerkingsfabriek waarvan de exploitatie luchtvervuiling, watervervuiling, bodemvervuiling en bodemverzakking veroorzaakte. Ook in deze zaak constateerde het EHRM een schending van de positieve verplichtingen onder art. 8 EVRM, omdat de overheid nagelaten had de verhuizing van de klagers naar een veiliger omgeving te faciliteren of een andere effectieve oplossing voor hun situatie te vinden.
EHRM 30 maart 2010, Bǎcilǎ/Roemenië (zaaknr. 19234/04).
EHRM 10 januari 2012, Di Sarno e.a./Italië (zaaknr. 30765/08).
EHRM 16 november 2004, Moreno Gómez/Spanje (zaaknr. 4143/02).
Vergelijkbare zaken zijn EHRM 18 oktober 2011, Martínez Martínez/Spanje (zaaknr. 21532/08) en EHRM 20 mei 2010, Oluić/Kroatië (zaaknr. 61260/08). In die zaken was sprake van geluidsoverlast van een bar die de naar nationaal recht maximaal toegestane geluidsniveaus overschreed. In deze zaken oordeelde het EHRM eveneens dat de overheid haar positieve verplichting om het recht van de klagers op respect voor hun woning en privéleven te beschermen had geschonden, omdat zij geen dan wel niet tijdig en niet voldoende actie had ondernomen tegen de nachtelijke geluidsoverlast. Vergelijk ook EHRM 25 november 2010, Mileva e.a./Bulgarije (zaaknr. 43449/02). In die zaak was sprake van een schending van de positieve verplichting onder art. 8 EVRM om concrete handelingen te verrichten, omdat de overheid niet tijdig en niet voldoende was opgetreden tegen de geluidsoverlast en andere hinder die veroorzaakt werd door de talrijke bezoekers van een in het appartementencomplex van de klagers gevestigde computerclub. Deze computerclub handelde overigens eerst zonder de vereiste vergunning en later in strijd met een aan de (inmiddels verleende) vergunning verbonden voorschrift.
EHRM 9 november 2010, Deés/Hongarije (zaaknr. 2345/06).
Voor de volledigheid merk ik op dat sommige van de in deze zaak getroffen overheidsmaatregelen naar Nederlands recht als concretiserende besluiten van algemene strekking kwalificeren, namelijk het besluit tot instelling van de maximumsnelheid van 40 km/u, het besluit tot plaatsing van de verkeerslichten en het besluit tot plaatsing van de verkeersborden. In paragraaf 3.1 is aangegeven dat concretiserende besluiten van algemene strekking deel uit maken van de positieve verplichting om regelgeving uit te vaardigen. Toch is het arrest-Deés/Hongarije ook illustratief voor de positieve verplichting om concrete handelingen te verrichten. Een van de in deze zaak getroffen overheidsmaatregelen was immers de aanleg van drie rondwegen. Dat is een feitelijke handeling en dus een concrete handeling zoals gedefinieerd in paragraaf 4.1. Daar komt bij dat in het kader van de bescherming tegen verkeerslawaai ook goed andere concrete handelingen (feitelijke handelingen) denkbaar zijn, zoals de plaatsing van geluidsschermen of het aanbrengen van geluidsisolatie in de getroffen woningen.
De rechtspraak van het ehrm biedt verschillende voorbeelden waaruit blijkt dat de overheid onder omstandigheden verplicht is om concrete handelingen te verrichten ter beëindiging van een bestaande aantasting van een door artikel 8evrm beschermd belang. In deze paragraaf passeren deze voorbeelden de revue. Het gaat daarbij – om de positieve verplichting om concrete handelingen ter beëindiging van bestaande aantastingen goed te illustreren – in alle gevallen om zaken waarin het ehrm oordeelde dat de overheid die verplichting had geschonden. Bij de bespreking van de begrenzing van die positieve verplichting in paragraaf 4.3.3 zullen echter ook uitspraken besproken worden waarin het ehrm die verplichting niet geschonden achtte.
Een eerste zaak die hier genoemd kan worden is de zaak-López Ostra/Spanje.1 López Ostra woonde met haar gezin in het Spaanse stadje Lorca. Dit stadje kende een grote leerindustrie. Een paar looierijen, die allemaal van dezelfde vennootschap waren, lieten met een overheidssubsidie op gemeentegrond een afvalverwerkingsinstallatie bouwen op twaalf meter afstand van de woning van López Ostra. De installatie werd in juli 1988 (zonder vergunning) in bedrijf genomen. De installatie veroorzaakte echter hinder en gezondheidsklachten bij vele inwoners van Lorca door de uitstoot van (stinkende) gassen in een hoeveelheid die in strijd was met de geldende regelgeving. Volgens het ehrm had de overheid nagelaten om na 9 september 1988 maatregelen te nemen die noodzakelijk waren ter bescherming van López Ostra’s recht op respect voor haar woning en privé- en familieleven. Niet alleen had zij dergelijke maatregelen nagelaten, maar zij had zich door het aantekenen van hoger beroep ook verzet tegen rechterlijke beslissingen die de tijdelijke stillegging van de fabriek hadden bevolen. Volgens het ehrm had de overheid daarom geen ‘fair balance’ tot stand gebracht tussen het economische belang dat het dorp bij de afvalverwerkingsinstallatie had enerzijds en het recht van López Ostra op respect voor haar woning en privé- en familieleven anderzijds.
Een zaak die enige gelijkenis vertoont met de zaak-López Ostra/Spanje is de zaak-Fadeyeva/Rusland.2 Fadeyeva woonde in de omgeving van een staalfabriek. Deze fabriek stootte giftige stoffen uit waardoor ernstige luchtverontreiniging ontstond die in strijd was met de in de nationale regelgeving vastgelegde veilige niveaus. Om het functioneren van de staalfabriek niet onmogelijk te maken stelde de nationale regelgeving als compromis een bufferzone rond de fabriek in, waarin de verontreiniging officieel de veilige niveaus mocht overschrijden. In die zone mocht geen bewoning plaatsvinden. Fadeyeva woonde echter wel in zo’n bufferzone en de concentraties van giftige stoffen in de lucht bij haar woning overschreden inderdaad de in de nationale regelgeving vastgelegde veilige niveaus.3 Het ehrm oordeelde dat het niet aan hem was om precies voor te schrijven welke maatregelen de Russische overheid had moeten nemen om aan haar positieve verplichtingen te voldoen. Door niet de verhuizing van Fadeyeva naar een woning buiten de bufferzone te faciliteren en ook geen effectieve maatregelen te treffen die in staat waren de verontreiniging te verminderen tot een aanvaardbaar niveau, had de overheid echter haar positieve verplichting om Fadeyeva’s recht op respect voor haar woning en privéleven te beschermen geschonden.4
In dezelfde lijn ligt de zaak-Bǎcilǎ/Roemenië.5 Bǎcilǎ woonde dicht bij een fabriek die lood en zink verwerkte. Deze fabriek stootte te veel zwaveldioxide en stof met zware metalen uit, waardoor het milieu verontreinigd werd. Volgens het ehrmwas het niet aan hem om zich uit te spreken over de vraag of de activiteiten van de fabriek stilgelegd hadden moeten worden, zodat deze zich aan de milieunormen zou houden. Het merkte echter op dat de autoriteiten ondanks een toename van de vervuiling vóór 2007 (in het geheel) geen maatregelen tegen de fabriek hadden genomen, omdat het treffen van maatregelen tegen de fabriek als grootste werkgever van de stad, die reeds getroffen was door de sluiting van andere bedrijven, een groot deel van de banen in de regio zou bedreigen. Volgens het ehrm had dit belang van de werkgelegenheid evenwel niet mogen prevaleren boven het recht van de betroffen personen op een gezonde leefomgeving. Gezien de ernstige en bewezen gevolgen van de vervuiling voor de gezondheid van de klaagster en andere inwoners van haar dorp had de overheid de positieve verplichting redelijke en adequate maatregelen te treffen ter bescherming van hun welzijn. Nu de overheid die maatregelen niet getroffen had, concludeerde het ehrm dat zij geen ‘fair balance’ tot stand had gebracht tussen het (economische) belang van de werkgelegenheid en het recht van de klaagster op respect voor haar woning en haar privé- en familieleven.
Een zaak van een andere soort is de zaak-Di Sarno e.a./Italië.6 De klagers woonden of werkten in een gemeente die getroffen was door een ‘afvalcrisis’. Deze crisis betekende (tussen eind 2007 en mei 2008) dat afval op de openbare weg werd achtergelaten en zich daar opstapelde. Daardoor waren de klagers gedwongen te wonen en werken in een vervuilde omgeving. In een opvallend korte overweging oordeelde het ehrm dat de Italiaanse overheid haar positieve verplichtingen onder artikel 8evrm had geschonden, doordat zij langdurig niet had gewaarborgd dat het systeem voor het ophalen en verwerken van afval normaal functioneerde. Daarbij wees het bovendien het beroep van de Italiaanse overheid op overmacht van de hand.
De rechtspraak van het ehrm kent ook een aantal zaken die (primair) gaan over geluidsoverlast. De bekendste is waarschijnlijk de zaak-Moreno Gómez/Spanje.7 Moreno Gómez woonde in de stad Valencia. In de buurt van haar woning bevonden zich diverse uitgaansgelegenheden die ’s nachts veel geluidsoverlast veroorzaakten. Het door hen geproduceerde geluid overschreed ook de naar nationaal recht maximaal toegestane geluidsniveaus. De overheid tolereerde volgens het ehrm de herhaaldelijke overtreding van de regelgeving die zij zelf had uitgevaardigd. Daarbij wees het erop dat regelgeving ter bescherming van (de door artikel 8evrm beschermde) rechten weinig zin heeft, als zij niet behoorlijk gehandhaafd wordt. Het ehrm oordeelde dan ook dat de Spaanse overheid haar positieve verplichting om het recht van Moreno Gómez op respect voor haar woning en privéleven te beschermen had geschonden, omdat zij had nagelaten actie te ondernemen tegen de nachtelijke geluidsoverlast.8
De laatste hier te bespreken zaak is de zaak-Deés/Hongarije, die eveneens primair geluidsoverlast betreft.9 Deés woonde in de buurt van een snelweg. In 1997 werd op deze snelweg het betalen van tol ingevoerd. Dit had tot gevolg dat veel verkeer de snelweg omzeilde door onder meer via de straat te rijden waaraan Deés woonde. Hij klaagde over overlast in de vorm van geluid, trillingen, verontreiniging en stank die het (zware) sluipverkeer veroorzaakte. Het ehrm merkte op dat de overheid tussen 1998 en 2001 verschillende maatregelen had genomen om het sluipverkeer te ontmoedigen. Zo had zij drie rondwegen aangelegd, een nachtelijke maximumsnelheid van 40 km/u ingesteld, twee kruisingen van verkeerslichten voorzien en verkeersborden ter omleiding van het verkeer geplaatst. Het ehrm overwoog dat de overheid de belangen van de weggebruikers en de omwonenden moest afwegen en erkende dat dit ingewikkeld was. Het oordeelde echter dat de maatregelen die zij getroffen had onvoldoende waren. Daarbij wees het erop dat ondanks deze maatregelen twee geluidmetingen in mei 2003 hadden vastgesteld dat het verkeerslawaai in de straat van Deés de door het nationale recht gestelde maxima nog steeds overschreed. Onder deze omstandigheden concludeerde het ehrm dan ook dat de overheid haar positieve verplichting om het recht van Deés op respect voor zijn woning en privéleven te waarborgen had geschonden.10
De voorgaande voorbeelden illustreren dat de positieve verplichting om concrete handelingen ter beëindiging van bestaande aantastingen te verrichten bij diverse vormen van hinder en vervuiling kan bestaan (waarbij luchtvervuiling en geluidhinder twee belangrijke vormen zijn). Ook de bronnen van de hinder en vervuiling zijn blijkens de voorbeelden divers (bijvoorbeeld industriële installaties, uitgaansgelegenheden en wegverkeer). Gesteld kan dan ook worden dat een positieve verplichting om concrete handelingen ter beëindiging van een bestaande aantasting te verrichten kan bestaan bij elke vorm van hinder en vervuiling en ongeacht de bron ervan. Wel zullen die hinder en vervuiling uiteraard steeds een nadelige invloed op de woning en/of het privéleven van een burger moeten hebben en zal die nadelige invloed een zeker minimum (‘minimum level of severity’) te boven moeten gaan.11