Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/16.2.1
16.2.1 Constitutionele uitgangspunten
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS947869:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002483994 (Bowman/the United Kingdom), par. 42.
EHRM 2 maart 1987, ECLI:CE:ECHR:1987:0302JUD000926781(Mathieu-Mohin and Clerfayt/Belgium), par. 54.
EHRM 22 januari 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0122JUD004919706 (Şükran Aydin and Others/Turkey), par. 55; EHRM 30 januari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0130JUD001939292 (United Communist Party of Turkey and Others/Turkey), par. 44.
EHRM 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002483994 (Bowman/the United Kingdom), par. 43.
Zie par. 7.6.4 en 7.6.5.
Zie par. 6.4.
Zie par. 12.5.2.
Zie par. 12.3.
Zie hoofdstuk 13.
Zie par. 13.3.1.
Zie par. 10.4.
Deel 1 van dit proefschrift behelsde de uiteenzetting van het constitutionele kader waarbinnen het kiesrecht functioneert. Achtereenvolgens kwamen het democratiebegrip (hoofdstuk 2), het grondrechtelijke karakter van het kiesrecht (hoofdstuk 3), het kiesstelsel van evenredige vertegenwoordiging (hoofdstuk 4) en de rol van politieke partijen (hoofdstuk 5) voorbij. Uit dit constitutionele kader kwam een aantal democratische uitgangspunten naar voren die weliswaar niet specifiek zijn toegesneden op verkiezingsregulering, maar die daarvoor wel van belang zijn. Het gaat daarbij om de vrijheid van meningsuiting, de verenigingsvrijheid en de norm dat Kamerleden in onafhankelijkheid het algemeen belang moeten waarborgen.
Vrijheid van meningsuiting
In het kader van het democratieprincipe besteedde ik aandacht aan de Algemene bepaling in de Grondwet, het EVRM en artikel 2 VEU. Politieke participatierechten, in het bijzonder de vrijheid van meningsuiting en de verenigingsvrijheid, maken van het democratiebegrip een belangrijk onderdeel uit. Het duidelijkst komt dit tot uitdrukking in de rechtspraak van het EHRM, dat een uitgebreid kader heeft ontwikkeld rond het democratische belang van de vrijheid van meningsuiting en haar speciale rol in het verkiezingsproces. Zo oordeelde het Hof dat de vrijheid van meningsuiting en het kiesrecht het fundament van de democratie vormen. 1Het Hof beschouwt de vrijheid van meningsuiting als een van de ‘voorwaarden die de vrije meningsuiting van het volk bij het kiezen van de wetgevende macht waarborgen’ in de zin van artikel 3 Protocol 1 EVRM. 2Dit betekent dat het van groot belang is dat politieke informatie juist in verkiezingstijd vrijelijk kan circuleren.3 Tegelijkertijd biedt het Hof verdragspartijen de ruimte om de vrijheid van meningsuiting in verkiezingstijd verdergaand te beperken dan daarbuiten, teneinde de integriteit van het publieke debat in verkiezingstijd te waarborgen. 4De gedachte is dat de vrijheid van meningsuiting en de vrije meningsvorming (zie hieronder in paragraaf 16.3) elkaar in beginsel versterken, maar dat er ook situaties denkbaar zijn waarin de vrijheid van meningsuiting juist afbreuk doet aan de vrije meningsvorming. Ik besprak in dat kader de toelaatbaarheid van bestedingslimieten en advertentieverboden, maatregelen die moeten voorkomen dat het publieke debat in verkiezingstijd door een of enkele actoren wordt gedomineerd.5 Onder omstandigheden zijn dergelijke beperkingen op de vrijheid van meningsuiting ter waarborging van de vrije meningsvorming in het licht van artikel 10 EVRM toelaatbaar. De vrijheid van meningsuiting was met name van belang in hoofdstuk 11 van dit proefschrift, waarin ik de (voorgenomen) regulering van microtargeting besprak. Ik kom op de belangrijkste bevindingen nog kort terug in paragraaf 16.5.
Vrijheid van vereniging
Ook de verenigingsvrijheid is in verkiezingstijd van groot belang. Dit grondrecht maakt het mogelijk om een forum te creëren voor politieke meningsvorming, publiek debat en het uiten van protest. Het recht is essentieel voor het functioneren van politieke partijen, zonder welke, zo werd duidelijk in hoofdstuk 4 en 5 van dit proefschrift, verkiezingen binnen de huidige constitutionele kaders in praktische zin ondenkbaar zijn. De partijregulering die in dit proefschrift aan de orde kwam, vormt een beperking op de verenigingsvrijheid van partijen. Een in het oog springend aspect is het kieswettelijke verenigingsvereiste voor naamsregistratie, dat vervolgens werd overgenomen als voorwaarde voor subsidiegerechtigdheid onder de Wspp (en later de Wfpp). In de literatuur is op goede gronden betoogd dat het kieswettelijke verenigingsvereiste een te grote beperking vormt op de verenigingsvrijheid in het licht van het met het vereiste te dienen doel: het voorkomen van lichtvaardige kandidaatstelling.6 Hetzelfde geldt voor het verenigingsvereiste als voorwaarde voor subsidiegerechtigdheid, dat slechts is gesteld vanuit het oogpunt van consistentie met de Kieswet, maar waarvoor een inhoudelijke rechtvaardiging ontbreekt.7 Wel pleitte ik voor het bevorderen van de verenigingsvorm tot daadwerkelijk vereiste voor verkiezingsdeelname, omdat de door mij bepleite intern democratische kandidaatstelling alleen in de vorm van een vereniging gestalte kan krijgen. Dat zou een relatief sterke beperking van de verenigingsvrijheid betekenen, die echter gerechtvaardigd wordt door het doel dat met die beperking wordt gediend: het waarborgen van kiezersinvloed op de vaststelling van de kandidatenlijst.
Naast de discussie over het verenigingsvereiste speelt de verenigingsvrijheid ook een grote rol in de totstandkoming van regels omtrent de financiering van politieke partijen. In het geval van het subsidiestelsel is door de wetgever steeds gehamerd op het belang van (eerst financiële, en later ook inhoudelijke) onafhankelijkheid van de overheid. 8In de discussie omtrent het reguleren van giften aan politieke partijen weegt steeds de factor van partijautonomie mee, die sinds de herziening van de Wfpp per 1 januari 2023 echter aanmerkelijk minder gewicht in de schaal legt dan voorheen. 9
Behartiging van het algemeen belang in onafhankelijkheid
In hoofdstuk 5 behandelde ik het samenspel van de artikelen 50, 60 en 67 lid 3 Gw, waaruit volgt dat Kamerleden in onafhankelijkheid het algemeen belang moeten behartigen. Het werd duidelijk dat deze norm niet alleen de relatie tussen Kamerleden en burgers beheerst, maar ook relevant is voor de verhouding tussen Kamerleden en hun partij én voor die tussen partijen en kiezers. In het licht van verkiezingsregulering is deze laatste verhouding het interessantst, omdat het ook dan zaak is dat gevallen van corruptie en belangenverstrengeling worden voorkomen. Dit is dan ook een belangrijke reden om de (private) financiering van politieke partijen te reguleren, 10waarmee moet worden voorkomen dat partijen hun standpunten laten bepalen door degenen die hen financieren. Daarnaast speelt het vrije mandaat, dat uit artikel 67 lid 3 Gw wordt afgeleid, een – zij het bescheiden – rol in mijn pleidooi betreffende de onwenselijkheid van het fenomeen ‘lijstduwer’. 11Het vrije mandaat zorgt ervoor dat het fenomeen zich lastig laat uitbannen, omdat verkozen kandidaten er niet toe verplicht kunnen worden om hun behaalde zetel daadwerkelijk in te nemen.