Einde inhoudsopgave
Natrekking door onroerende zaken (O&R nr. 94) 2016/II
Slotbeschouwing
P.J. van der Plank, datum 01-05-2016
- Datum
01-05-2016
- Auteur
P.J. van der Plank
- JCDI
JCDI:ADS485499:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Bijzondere onderwerpen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Voetnoten
Voetnoten
HR 31 oktober 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2478 (Portacabinarrest).
Onder de bouwer moet hier mede worden verstaan degene in wiens opdracht het bouwwerk wordt aangebracht.
Zie ook: S.E. Bartels en J.M. Milo, ‘Open normen in het goederenrecht’, in: S.E. Bartels en J.M. Milo (red.), Open normen in het goederenrecht, Boom Den Haag 2000, p. 18.
Of er daadwerkelijk verplaatsing plaatsvindt of niet, is hierbij irrelevant. Het kan dus zijn dat een gebouw of werk eruit ziet alsof het bestemd is daar nog tijden te blijven staan, terwijl het in werkelijkheid enkele dagen later verplaatst zal worden. Het zal dan toch aangemerkt worden als onroerende zaak.
Heyman stelt in dit kader: “Omgekeerd zal naar verkeersopvatting een bouwsel waarvan duidelijk is dat het gemakkelijk en zonder buitensporige kosten kan worden verplaatst, niet als onroerend worden beschouwd, ook niet als eveneens duidelijk is dat het in beginsel een permanente bestemming heeft.” Zie: H.W. Heyman, ‘Wanneer is een gebouw of werk ‘duurzaam met de grond verenigd’? Een kritische noot bij het Portacabinarrest’, in: S.E. Bartels en J.M. Milo (red.), Open normen in het goederenrecht, Boom Den Haag 2000, p. 98.
Zie H.W. Heyman, Wanneer is een gebouw of werk ‘duurzaam met de grond verenigd’? Een kritische noot bij het Portacabinarrest, in: S.E. Bartels en J.M. Milo (red.), Open normen in het goederenrecht, Boom Den Haag 2000, p. 117.
H.W. Heyman, Wanneer is een gebouw of werk ‘duurzaam met de grond verenigd’? Een kritische noot bij het Portacabinarrest, in: S.E. Bartels en J.M. Milo (red.), Open normen in het goederenrecht, Boom Den Haag 2000, p. 117-118.
VV II, PG Boek 3, p. 68.
TM, PG Boek 6, p. 753.
Zie hierover: Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels, 5 * 2008/81.
HR 28 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1502 (Buitenplee).
Zie tevens: GS Zakelijke rechten, art. 5:20 BW; PG Boek 5, MvA II, p. 127; Asser/Mijnssen, Van Velten & Bartels, 5 * 2008/81; A.A. van Velten, Privaatrechtelijke aspecten van onroerend goed, Kluwer Deventer 2015, p. 69; G.E. van Maanen, De boom van Bartels, NTBR 2012/2; S.E. Bartels, Een grensoverschrijdende treurwilg, AA 2011, p. 636-639.
Vgl. ook: Snijders & Rank-Berenschot 2012, Goederenrecht, nr. 173.
Zie ook: H.D. Ploeger, ‘Reactie: “Wie is eigenaar van de kerkbrug in Schipluiden?”’WPNR 1996/6219, p. 284.
In het Buitenplee-arrest was het zo dat de ‘buitenplee’ zich bevond in het gebouw van A, maar deze was enkel te bereiken via de tuin van B. In dit geval oordeelde de Hoge Raad dat de buitenplee onderdeel was van het gebouw van A en geen bestanddeel was van een gebouw van B. Om die reden was er geen sprake van horizontale natrekking in de zin van art. 5:20 lid 1 sub e BW. De Hoge Raad stelde: “Er is geen goede reden om te aanvaarden dat een onderdeel van een gebouw kan toebehoren aan een ander dan de eigenaar van dat gebouw, in een geval waarin dat onderdeel niet een bestanddeel is van een gebouw dat aan die ander toebehoort.” HR 28 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1502 (Buitenplee).
Zie ook: H.D. Ploeger, ‘Reactie op: “Wie is eigenaar van de kerkbrug in Schipluiden?”’WPNR 1996/6219, p. 285.
Indien geen kernperceel vast te stellen is, dan dient men mijns inziens gemeenschappelijk eigendom aan te nemen. Zie ook: G.E. van Maanen, ‘De boom van Bartels’, NTBR 2012/2; S.E. Bartels, Een grensoverschrijdende treurwilg, AA 2011, p. 636-639; H.D. Ploeger, ‘Reactie op: “Wie is eigenaar van de kerkbrug in Schipluiden?”’WPNR 1996/6219, p. 285.
Hof Amsterdam 23 augustus 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BR6841.
H.W. Heyman, ‘De natrekkingscriteria naar huidig en toekomstig recht’, WPNR 1974/5270, p. 474.
Zie par. 4.2.6.
T.H.D. Struycken, De numerus clausus in het goederenrecht, (diss. Nijmegen), Deventer Kluwer 2007, p. 793.
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/487; Snijders & Rank-Berenschot 2012, Goederenrecht, nr. 109; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, Goederenrecht, nr. 57.
H.W. Heyman, ‘De natrekkingscriteria naar huidig en toekomstig recht’, WPNR 1974/5270, p. 473.
Inleiding
Natrekking betekent dat het eigendomsrecht (op een zaak) mede een voormalig zelfstandig eigendomsrecht gaat omvatten. Ten aanzien van onroerende zaken zijn drie wijzen van natrekking te onderscheiden:
Natrekking doordat een zaak onroerend is op grond van art. 3:3 lid 1 BW en hierdoor op grond van art. 5:20 lid 1 BW nagetrokken wordt door de eigendom van de grond;
Natrekking doordat een zaak bestanddeel wordt van een onroerende hoofdzaak in de zin van art. 3:4 BW, zodat deze op grond van art. 5:3 BW nagetrokken wordt door het eigendomsrecht van die hoofdzaak;
Natrekking in het platte vlak, doordat de eigenaar van een grondstuk een aangelegen grondstuk in eigendom verkrijgt, dat dezelfde rechtstoestand heeft.
In het navolgende zal geconcludeerd worden dat bij de eerste twee wijzen van natrekking de verkeersopvatting als leidend criterium voor natrekking geldt en dat dit zijn rechtvaardiging vindt in de bescherming van de rechtszekerheid. Ook zal geconcludeerd worden dat de verkeersopvatting geringe betekenis heeft bij natrekking in het platte vlak, omdat de eigendomsgrenzen van een grondstuk kunstmatig bepaald worden en (over het algemeen) niet zichtbaar zijn. Het is in dat geval niet de verkeersopvatting, maar het publiciteitsbeginsel dat rechtszekerheid in het platte vlak waarborgt.
De verkeersopvatting bij natrekking op grond van art. 3:3 lid 1 j° 5:20lid 1 BW
In het eerste hoofdstuk is art. 3:3 BW uitgebreid besproken. Blijkens art. 3:3 lid 1 BW zijn onroerend:
“de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen, de met de grond verenigde beplantingen, alsmede de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen of werken.”
Wanneer een zaak onroerend is in de zin van art. 3:3 lid 1 BW, bepaalt art.5:20 lid 1 BW dat deze – in beginsel – nagetrokken wordt door de grond. Art. 3:3 BW bepaalt dat gebouwen en werken die duurzaam verenigd zijn met de grond onroerend zijn.
De Hoge Raad in het Portacabinarrest het criterium van de ‘duurzame vereniging met de grond’ nader ingevuld.1 In dit arrest werd bepaald dat een gebouw of werk duurzaam verenigd kan zijn met de grond (in de zin van art. 3:3 lid 1 BW) doordat het ‘naar aard of inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven’. Tevens werden twee aanwijzingen geformuleerd, waarop gelet moet worden bij de beantwoording van de vraag of een gebouw of werk naar aard of inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven, te weten:
De bedoeling van de bouwer2 , voor zover deze naar buiten kenbaar is;
De bestemming van een gebouw of een werk om duurzaam ter plaatse te blijven dient naar buiten kenbaar te zijn.
Met betrekking tot het gebruik van de verkeersopvatting, stelde de Hoge Raad dat de verkeersopvatting niet gebezigd kan worden als zelfstandige maatstaf voor de vraag of een zaak roerend of onroerend is, maar dat de verkeersopvatting wel in aanmerking genomen kan worden voor de invulling van de volgende begrippen: is er sprake van een ‘duurzame’ (1), ‘vereniging’ (2) en is de ‘bestemming om duurzaam ter plaatse te blijven’ (3) ‘naar buiten kenbaar’ (4).
Desalniettemin luidt de conclusie in het eerste hoofdstuk van dit onderzoek dat de verkeersopvatting leidend is voor de vraag of een gebouw of werk duurzaam met de grond verenigd is (en derhalve onroerend is). De twee aanwijzingen die de Hoge Raad formuleerde in het Portacabinarrest ter beantwoording van de vraag of een gebouw of werk ‘naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven’, hebben met elkaar gemeen dat zij beide naar buiten kenbaar dienen te zijn. Zowel de bedoeling van de bouwer, als de bestemming om duurzaam ter plaatse te blijven, dienen naar buiten kenbaar te zijn. Dit is juíst een verkeersopvatting.3Het gaat er immers om hoe het gebouw of werk eruitziet voor een derde die hier langsloopt: ziet het eruit alsof het daar blijft staan of ziet het eruit alsof het een dezer dagen weer verplaatst wordt?4,5 Hiermee wordt de verkeersopvatting niet als wettelijke maatstaf gebruikt voor de vraag of een zaak roerend of onroerend is, maar is deze bepalend bij beantwoording van de vraag of een gebouw of werk duurzaam verenigd is met de grond. De wettelijke maatstaf wordt zo niet alleen ingevuld door de verkeersopvatting, maar hiermee ook in overeenstemming gebracht.6 Ook Heyman stelt dit:
“De verkeersopvattingen krijgen hierdoor een rol van betekenis, die niet onder hoeft te doen voor die welke zij ingevolge art. 3:4 lid 1 vervullen. Bij artikel 3:4 stelt de wetgever de verkeersopvattingen voorop en heeft de rechtspraak gezichtspunten aangedragen aan de hand waarvan zij nader worden geconcretiseerd: (in) compleetheid en onderlinge afstemming. Bij art. 3:3 (en 5:20) is het andersom: de wetgever heeft een algemene maatstaf geformuleerd die de gezichtspunten bevat waarop de verkeersopvattingen zich moeten oriënteren. De uitgangspunten zijn spiegelbeeldig, naar resultaat zullen beide methoden nauwelijks verschillen.”7
Dit is echter niet de enige rol die de verkeersopvatting vervult bij toepassing van art. 3:3 lid 1 BW. Art. 3:3 lid 1 BW spreekt van ‘gebouwen en werken’. Deze termen worden echter nergens in het Burgerlijk Wetboek gedefinieerd. Dat dit een bewuste keuze is, blijkt uit de Parlementaire Geschiedenis. Uit het Voorlopig Verslag blijkt dat het “geheel een vraag naar de verkeersopvatting is, welke constructies onder ‘opstallen’ begrepen zijn.”8
Onder ‘opstallen’ worden ‘met de grond verenigde gebouwen en werken’ verstaan, zo blijkt uit de Toelichting Meijers.9 Derhalve wordt niet alleen de vraag of iets bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven bepaald door de verkeersopvatting, maar ook de vraag of iets een gebouw of werk is.
De verkeersopvatting bij bestanddeelvorming op grond van art. 3:4 j°5:3 BW
De verkeersopvatting geldt gezien het bovenstaande impliciet bij de beoordeling of een gebouw of werk onroerend is en nagetrokken wordt door de eigendom van de grond. Bij natrekking door bestanddeelvorming staat de verkeersopvatting expliciet opgenomen als criterium. Lid 1 van art. 3:4 BW bepaalt: ‘Al hetgeen volgens verkeersopvatting onderdeel van een zaak uitmaakt, is bestanddeel van die zaak.’ Art. 3:4 BW kent echter ook nog een tweede lid dat een fysiek criterium geeft: een zaak die zodanig met de hoofdzaak is verbonden dat zij daarvan niet afgescheiden kan worden, zonder beschadiging van betekenis toe te brengen aan een van die zaken is bestanddeel van die zaak.
In hoofdstuk 3 is aan de hand van het voorbeeld van de rijtjeshuizen bepleit dat het zo kan zijn dat iets op grond van het tweede lid van art. 3:4 BW bestanddeel is van een zaak, maar dat dit op grond van de verkeersopvatting toch aangemerkt wordt als een zelfstandige zaak. Het middelste huis van een rijtje rijtjeshuizen kan immers niet afgescheiden worden zonder beschadiging van betekenis toe te brengen aan één van beide zaken, maar wordt op grond van de verkeersopvatting juridisch toch als zelfstandig object gezien. Over het algemeen zal echter gelden dat al hetgeen niet zonder beschadiging van betekenis af te scheiden is van een zaak, ook naar verkeersopvatting bestanddeel van die zaak uitmaakt. Om die reden zou volstaan kunnen worden met het gebruik van de verkeersopvatting voor de vraag of iets bestanddeel is in de zin van art. 3:4 BW, waarbij het feit dat iets niet af te scheiden is zonder beschadiging van betekenis gezien kan worden als aanwijzing voor bestanddeelvorming naar verkeersopvatting. Ook bij natrekking door bestanddeelvorming in de zin van art. 3:4 BW is de verkeersopvatting leidend.
De verkeersopvatting bij horizontale natrekking
Op grond van art. 5:20 lid 1 sub e BW omvat de eigendom van de grond (voor zover de wet niet ander bepaalt):
“Gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen en werken, voor zover ze geen bestanddeel zijn van eens anders onroerende zaak.”
De laatste zinsnede, ‘voor zover ze geen bestanddeel zijn van eens anders onroerende zaak’, bepaalt dat verticale natrekking wijkt voor horizontale natrekking.10 Onder ‘onroerende zaak’ in de laatste zinsnede van art. 5:20 lid 1 sub e BW moet volgens de Hoge Raad een opstal op eens anders erf verstaan worden.11 Indien een bouwwerk zich gedeeltelijk uitstrekt over de perceels-, c.q. eigendomsgrens, gaat natrekking door bestanddeelvorming (in de zin van art. 3:4 BW) van het overstekende gedeelte van het bouwwerk met de rest van het bouwwerk voor op (verticale) natrekking van dat gedeelte door de (eigendom van de) onderliggende grond. Zo wordt bijvoorbeeld een grensoverschrijdende kelder nagetrokken door de rest van het gebouw waar het deel van uitmaakt, ook al bevindt deze zich gedeeltelijk in de grond van een ander.12
Ook het antwoord op de vraag of een grensoverschrijdend gedeelte van een gebouw of werk (horizontaal) nagetrokken wordt door het overige gedeelte van dat gebouw of werk, of dat op de erfgrens verticale splitsing van het eigendomsrecht plaatsvindt, wordt bepaald door de verkeersopvatting.13
Hoewel art. 5:20 lid 1 sub e BW, laatste zinsnede spreekt van ‘bestanddeel’ en dit impliceert dat aan beide leden van art. 3:4 BW getoetst dient te worden, wordt iets enkel horizontaal nagetrokken, indien het naar verkeersopvatting bestanddeel is van een onroerende zaak. Art. 3:4 lid 2 BW speelt geen rol bij horizontale natrekking.
Het kan echter ook zo zijn dat een bouwwerk zich bevindt op de erfgrens en onduidelijkheid bestaat over de vraag door welk grondstuk het grensoverschrijdend bouwwerk nagetrokken wordt. Ook dit wordt bepaald door de verkeersopvatting.14 Zo zal gekeken dienen te worden naar feitelijkheden: waar bevindt zich de ingang?15 Door welk perceel lijkt het gebouw of werk nagetrokken te worden? Zelfs de aanwezigheid van een erfdienstbaarheid kan een aanwijzing zijn dat horizontale natrekking plaatsvindt door het heersend erf. Niet omdat de verticale natrekking doorbroken wordt door de erfdienstbaarheid, maar omdat partijen hiermee de bedoeling aan hebben gegeven dat het bouwwerk bij het heersend erf hoort.16 Na vaststelling door welk perceel het bouwwerk nagetrokken wordt, zorgt een ruime toepassing van de horizontale natrekking van art. 5:20 lid 1 sub e BW ervoor dat het gehele bouwwerk nagetrokken wordt door het desbetreffende perceel.17
Horizontale natrekking vindt echter enkel plaats, indien geen sprake kan zijn van verticale splitsing van eigendom. Illustratief in dezen is de casus van het grensoverschrijdend bunkerrestant.18 Het bunkerrestant strekte zich uit over twee grondstukken. Het ene bunkerrestant was niet af te scheiden van het andere gedeelte zonder beschadiging van betekenis toe te brengen aan één van beide zaken. Omdat niet gezegd kon worden dat het zwaartepunt van het bunkerrestant zich op één van beide grondstukken bevond, noch dat de bunker een functionele eenheid was, bepaalde het Hof Amsterdam dat door verticale splitsing (ter hoogte van de erfgrens) de bunkerrestanten ieder voor een gedeelte toebehoorden aan de eigenaren van de twee grondstukken. De vraag of verticale splitsing van eigendom mogelijk is, wordt eveneens beantwoord aan de hand van de verkeersopvatting.
De rol van de verkeersopvatting bij (de doorknipbepaling van) natrekkingvan kabels en leidingen
Art. 5:20 lid 2 BW geeft een uitzondering op de natrekkingsregel van art. 5:20 lid 1 BW voor netten, bestaande uit één of meer kabels of leidingen, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie die is of wordt aangelegd in, op of boven de grond van anderen. Het artikellid bepaalt dat de eigendom van zo een net toebehoort aan de bevoegde aanlegger van dat net (of diens rechtsopvolger).
De verkeersopvatting speelt hierbij op drie manieren een rol: ‘1) aan de hand hiervan wordt bepaald of sprake is van een ‘net in de zin van art. 5:20 lid 2 BW, 2) wordt de omvang van zo een net bepaald en 3) geldt het als criterium voor de vraag of een gedeelte van het net zich leent voor afscheiding, in die zin dat het een deelnet kan vormen.
Rechtvaardiging van deze rol van de verkeersopvatting in natrekkingsvraagstukken is gelegen in de ratio van natrekking.
De ratio van natrekking
Door natrekking gaat het eigendomsrecht op een zaak mede een voormalig zelfstandig eigendomsrecht omvatten. Het eigendomsrecht ten aanzien van de nagetrokken zaak gaat daardoor teniet, almede alle beperkte rechten die rustten op deze (voormalig zelfstandige) zaak. Eventuele beperkte rechten die rusten op de hoofdzaak gaan mede de nagetrokken zaak omvatten. Natrekking kan om die reden verstrekkende juridische gevolgen hebben. Dit resultaat is, zoals Heyman het verwoordt, alleen acceptabel, als iedere andere oplossing nog ongewenster is.19
In hoofdstuk 4 is uiteengezet wat de gevolgen zouden zijn van een goederenrechtelijk systeem dat geen ‘eenheidsbeginsel’ kent.20 In zo een systeem zijn zakenrechtelijke aanspraken op onzelfstandige zaaksdelen, c.q. bestanddelen mogelijk. Hierdoor zou een enorme versnippering van eigendom (en andere zakenrechtelijke rechten) ontstaan. Zo blijft een leverancier van bakstenen die deze geleverd heeft onder eigendomsvoorbehoud eigenaar van de bakstenen waarmee X zijn huis heeft gebouwd. Indien op deze bakstenen een pandrecht rustte ten behoeve van de bank, blijft dit pandrecht ook in stand. Zo een systeem brengt grote rechtsonzekerheid met zich. Hoe bepaal je immers de omvang van een eigendomsrecht als de fysieke grenzen van een zaak niet langer leidend zijn?
Gezien de onrechtvaardigheid van het alternatief, zijn regels omtrent natrekking onontbeerlijk en is de belangrijkste rechtvaardiging voor het bestaan van het eenheidsbeginsel gelegen in de rechtszekerheid. Dit laat echter onverlet dat natrekking verstrekkende gevolgen heeft, zoals eigendomsverlies op grond waarvan natrekking met terughoudendheid toegepast dient te worden. Het gebruik van de verkeersopvatting als leidend criterium voor natrekking (zowel in de zin van art. 3:4 j° 5:3 BW, als van art. 3:3 lid 1 j° 5:20 lid 1 BW) heeft (idealiter) tot gevolg dat datgene waarvan men in het maatschappelijk verkeer vindt dat het onderdeel van een andere zaak uitmaakt, juridisch ook zo behandeld wordt. Deze verkeersopvatting zal gebaseerd zijn op uiterlijkheden van de betreffende zaak. Anders gezegd: de vraag zal zijn of iets naar buiten kenbaar één geheel uitmaakt.
En precies dat feit ecarteert de verkeersopvatting als criterium bij natrekking in het platte vlak.
Het ontbreken van de verkeersopvatting bij natrekking in het plattevlak
De grond neemt een bijzondere plaats in, in het goederenrecht. Grond is de enige zaak waarbij de eigendomsgrenzen niet bepaald worden door de fysieke grenzen. Het kent immers geen fysieke grenzen. Weliswaar kan er sprake zijn van een waterafscheiding, of bijvoorbeeld een rotswand, maar ook hieronder loopt het aardoppervlak door. Om die reden worden de eigendomsgrenzen van grondstukken bepaald en vastgelegd in een grondboekhouding, in de openbare registers. De rechtszekerheid met betrekking tot zakenrechtelijke rechten die rusten op de grond wordt gewaarborgd door het feit dat dit registergoederen zijn en de overdracht of vestiging ervan vastgelegd dienen te worden in de openbare registers.
Zo schrijft Struycken:
“De ratio van het publiciteitsbeginsel raakt aan de fundamenten voor het goederenrecht: de tegenwerpelijkheid van goederenrechtelijke rechten aan derden kan nauwelijks anders gerechtvaardigd worden dan op basis van de kenbaarheid van die rechten voor derden. Bevordering van de rechtszekerheid, te verstaan als de zekerheid in het rechtsverkeer, vormt de basis van het publiciteitsbeginsel.”21
Rechtszekerheid is de belangrijkste functie van grondboekhouding.22 Nederland kent echter een geen volledige aktenregistratie. Kenmerken van het Nederlandse stelsel (ook wel negatief of semipositief genoemd23 ) is dat de juistheid niet gegarandeerd wordt. In hoofdstuk 7 is besproken dat door verkrijging door verjaring iemand anders rechthebbende kan zijn van een grondstuk, dan degene die als rechthebbende in de openbare registers geregistreerd staat. Hier speelt de verkeersopvatting echter wel weer een rol. De rechtvaardiging van verkrijging door verjaring is immers gelegen in het feit dat het recht zich na zekere tijd aan dient te sluiten bij de werkelijke situatie. Diegene die na verloop van een zekere tijd zich beschouwde als rechthebbende, hetgeen naar buiten toe ook kenbaar was, kan door verjaring ook rechthebbende worden.
Zo komen we toe aan beantwoording van de twee hoofdvragen die centraal stonden in dit onderzoek naar natrekking door onroerende zaken:
Op welke manieren kan natrekking door onroerende zaken plaatsvinden?
Is er in deze verschillende wijzen van natrekking een overkoepelend criterium te onderscheiden, waarmee natrekkingsvraagstukken met betrekking tot onroerende zaken beantwoord kunnen worden?
Natrekking kan plaatsvinden op grond van art. 3:3 j° 5:20 lid 1 BW, op grond van bestanddeelvorming in de zin van art. 3:4 j° 5:3 BW en in het platte vlak, doordat iemand de eigendom verkrijgt van een naastgelegen stuk grond dat dezelfde rechtstoestand heeft, of dat verkregen wordt door een verjaring en een door de bezitter gevestigd beperkt recht zich door bekrachtiging mede uit gaat strekken over hetgeen door verjaring verkregen werd.
De verkeersopvatting geldt als leidend criterium bij beantwoording van de vraag of natrekking plaatsvindt, op grond van één van de twee eerstgenoemde wijzen. Dat wat in het maatschappelijk verkeer gezien wordt als één zaak, wordt juridisch ook één zaak. Dit wordt beoordeeld op grond van uiterlijke kenmerken. Dit wordt gerechtvaardigd door de rechtszekerheid die gebruik van de verkeersopvatting met zich brengt, hetgeen ten grondslag ligt aan het eenheidsbeginsel.
Nu uiterlijke kenmerken in het platte vlak ontbreken, is de verkeersopvatting als criterium voor natrekking onbruikbaar. Rechtszekerheid omtrent zakenrechtelijke rechten ten aanzien van grondstukken wordt gewaarborgd door het systeem van grondboekhouding. Echter daar waar de juridische situatie zoals neergelegd in de grondboekhouding te lang afwijkt van de werkelijke situatie (beoordeeld aan de hand van de verkeersopvatting), kan verkrijging door verjaring plaatsvinden, hetgeen leidt tot onjuistheid van hetgeen geregistreerd staat in de openbare registers.
Ik wil dit onderzoek naar natrekking door onroerende zaken afsluiten met een quote van Heyman. Niemand is voor afschaffing van het natrekkingsbeginsel.
“Waar het om gaat is alleen de criteria, aan de hand waarvan het (op zichzelf aanvaardde) beginsel moet worden toegepast, zodanig te kiezen, dat de werking ervan (zoveel mogelijk) beperkt blijft tot het gebied, waar men deze algemeen nuttig en wenselijk acht.”24
Dit criterium, dat is de verkeersopvatting.