Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/2.6.1
2.6.1 Dissertatie Löwensteyn
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS391747:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie het voorwoord, waarin hij NJ-annotator Hijmans van den Bergh, advocaat-generaal Langemeijer en de betrokken advocaten bedankt voor het ter beschikking stellen van hun stukken. Löwensteyn 1959, p. x.
Zie bijvoorbeeld Löwensteyn 1959, p. 57-73, waarin in een uitgebreide uiteenzetting over het leerstuk van de bestuurszelfstandigheid pas op p. 69 het Forumbank-arrest wordt aangehaald.
Het meest treffend is dit te zien aan de inleiding (Löwensteyn 1959, p. 1-5). Löwensteyn begint de inleiding weliswaar met een korte verwijzing naar het Forumbank-arrest, maar vervolgt op p. 2: “Nu zou er ook zonder dit arrest reeds alle reden bestaan voor een nader onderzoek naar het wezen en de bevoegdheid van het bestuur van de vereniging en de N.V..” Het restant van de inleiding leest als een geheel zelfstandig stuk, waardoor de indruk ontstaat dat de passage over het Forumbank-arrest pas na voltooiing van de tekst als een kopstuk erop is gezet. Overigens stelt Löwensteyn wel op p. 2: “Het arrest van 1955 [het Forumbank- arrest] nu bevestigde onze aanvankelijke mening, dat het bestuur beschouwd moet worden als evenknie van de A.V.” Hiermee geeft Löwensteyn aan dat hij voorafgaand aan het Forumbank-arrest reeds bij deze opvatting was uitgekomen.
Löwensteyn 1959, p. 14-15.
Ibid, p. 17 en p. 61-65.
Ibid, p. 10-11.
Een uitzondering lijkt de beschouwing van Löwensteyn op p. 75-77, waarin hij de opvattingen van andere schrijvers, onder wie Hijmans van den Bergh, over de historische ontwikkeling van het N.V.-recht parafraseert.
Löwensteyn 1959, p. 18-19.
Ibid, p. 67.
De dissertatie van Löwensteyn getiteld “Wezen en bevoegdheid van het bestuur van de vereniging en de naamloze vennootschap” werd in oktober 1959 verdedigd. Bij het schrijven ervan heeft Löwensteyn nog kennis kunnen nemen van het op dat moment nog niet gepubliceerde Forumbank-arrest.1 Ondanks het feit dat dit arrest op vele plaatsen wordt aangehaald, lijken de overwegingen van de Hoge Raad in het Forumbank-arrest niet van wezenlijke invloed op de analyse van Löwensteyn te zijn geweest. Afgaande op de wijze waarop de relevante argumenten van zijn betoog zijn gestructureerd – waarbij het Forumbank-arrest veelal pas aan het slot van het betoog wordt opgevoerd2 – lijkt Löwensteyn de rechtsregels van het Forumbank-arrest voornamelijk aan te voeren als een bevestiging van de Hoge Raad van opvattingen die Löwensteyn zelf reeds langs andere weg en in voorkomende gevallen op andere gronden had geformuleerd.3 Ook als de Hoge Raad het Forumbank-arrest niet of later zou hebben gewezen, zou de argumentatie van Löwensteyn dus grotendeels intact zijn gebleven. Wel heeft het arrest naar alle waarschijnlijkheid bijgedragen aan de kracht en het gezag van de door Löwensteyn verdedigde opvattingen. De mate waarin dit het geval is geweest, is niet vast te stellen.
De blijvende bijdrage van het werk van Löwensteyn is gelegen in de door hem weergegeven blauwdruk voor de interne organisatie van de N.V.. Zijn beschouwing over de verhouding tussen de verschillende organen van de vennootschap is in ons huidige vennootschapsrecht nog altijd actueel. En passant leverde Löwensteyn in zijn dissertatie ook de benodigde ‘ammunitie’ aan om de door Hijmans van den Bergh en anderen bepleite conceptuele losmaking van de N.V. uit de sfeer van contractuele rechtsbetrekkingen te kunnen realiseren. Löwensteyn nam stelling tegen de uit het maatschapsdenken van Van der Heijden voortgekomen opvattingen dat (a) de N.V. een bijzondere vorm van obligatoire overeenkomst zou zijn met vanwege haar rechtspersoonlijkheid een bijzondere absolute werking jegens derden;4 en dat (b) bestuurders uit hoofde van een lastgevingsconstructie jegens de aandeelhouders dan wel uit hoofde van een benadering van de AVA als hoogste macht in de N.V. als ondergeschikte in een gezagsrelatie tot de aandeelhouders zouden staan.5 Op beide punten zouden de inzichten van Löwensteyn van blijvende waarde blijken.
Schakelpunt in de argumentatie bij Löwensteyn’s opvattingen is telkens de rechtspersoonlijkheid van de N.V.. Waar Van der Heijden en Van der Grinten eerder nog een pragmatische invulling aan de rechtspersoonlijkheid van de N.V. gaven, stelde Löwensteyn juist voorop dat rechtspersoonlijkheid een normatief begrip was en dat hieruit voortvloeide dat de N.V. door het recht werd erkend als een zelfstandig rechtssubject “met – althans in beginsel – alle gevolgen van dien.”6 Eén van de ‘gevolgen van dien’ was volgens Löwensteyn de juridische onverenigbaarheid tussen rechtspersoon en overeenkomst. Anders dan bij Zeylemaker, Kamphuisen en Hijmans van den Bergh ging de uiteenzetting van Löwensteyn over de onbruikbaarheid van de voorstelling van de N.V. als contractuele rechtsbetrekking in het geheel niet in op de vraag of de contractuele visie op de N.V. al dan niet in overeenstemming was met hoe de N.V. zich historisch gezien in het rechtsverkeer en in het economisch verkeer had ontwikkeld. Zijn afwijzing van de contractuele opvatting op de N.V. berustte hoofdzakelijk op zuiver juridisch-dogmatische argumenten.7 Wel veroorloofde Löwensteyn zich de volgende observatie: “Het begrip ‘rechtspersoon’ wordt te veel gezien als een conveniente vorm voor het weergeven van gecompliceerde rechtsverhoudingen, als beeldspraak zonder juridische consequenties. (…). De leden worden met de rechtspersoon geïdentificeerd, op één lijn gesteld met de vennoten in een maatschap of vennootschap en gezien als de ‘materiële’ eigenaars van het vermogen der rechtspersoon. Uiteraard gaat het bij de vereniging en N.V. om de leden en aandeelhouders, niet echter om een typische individuele betrekking tussen deze personen als het contract. Men heeft juist het gezamenlijke streven tot op zekere hoogte willen onttrekken aan de invloed van het individuele lid en de gevolgen van diens persoonlijke lotgevallen. Daartoe heeft men een afzonderlijk rechtssubject in het leven geroepen. Dit impliceert, dat ook feitelijk de positie van leden en aandeelhouders niet is te vergelijken met die van partijen bij een samenwerkingsovereenkomst. Bij de grote N.V. is tengevolge van een en ander de individuele aandeelhouder zelfs geheel op de achtergrond geraakt.”8
Met de zin over het willen onttrekken van het gezamenlijk streven aan de invloed van de individuele aandeelhouders, gaf Löwensteyn impliciet een verklaring voor het doel van het wezen van de N.V. als zelfstandig rechtssubject. Opvallend is dat Löwensteyn – los van de hierboven vermelde feitelijke constatering over individuele aandeelhouders in de publieke N.V. – voor het wezen en karakter van de N.V. niet differentieerde tussen open N.V.’s en besloten N.V.’s. De conclusie ligt voor de hand dat ook besloten N.V.’s bij Löwensteyn een zekere institutioneel karakter kregen toegedicht. Een alternatieve verklaring hiervoor kan zijn dat Löwensteyn in zijn beschouwingen primair de publieke N.V. voor ogen had. De door Löwensteyn geformuleerde praktische bezwaren tegen het aanvaarden van een instructierecht van de AVA aan het bestuur, die er in de kern op neerkomen dat de “gemiddelde aandeelhouder” niet de bijzondere kennis en ervaring bezit om leiding aan een bedrijf te kunnen geven,9 doet dit althans vermoeden. Daarmee liggen de opvattingen van Löwensteyn over het wezen van de N.V. in het verlengde van een benadering vanuit het perspectief van de open N.V.. Zijn opmerking over het duurzame karakter van de N.V. (zie hierna) moet mijn inziens ook in die context worden geplaatst.