Einde inhoudsopgave
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/5.4.1
5.4.1 Algemeen
Paul Schoukens & Saskia Montebovi, datum 01-05-2021
- Datum
01-05-2021
- Auteur
Paul Schoukens & Saskia Montebovi
- JCDI
JCDI:ADS288418:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Schoukens 2020a. Zoals verder nog aan bod zal komen is dit in Nederland geen omvangrijk probleem, ten minste als men actief is als werknemer. Immers ook bij kleine deeltijdarbeid kan men al toegang hebben tot de werknemersverzekeringen.
Schoukens 2019b.
Ibid.
Suarez 2017, p. 293-312.
Zie in die zin bijvoorbeeld de recent genomen Belgische regeling: Programmawet 1 juli 2016, art. 22 e.v.
Zie alzo bijvoorbeeld de recent in Frankrijk aangenomen regeling waarbij platforms verplicht gaan worden om informatie te verlenen aan de fiscale diensten over inkomsten die gebruikers van het platform genereerden in het afgelopen jaar: Loi n° 2018-898 du 23 octobre 2018 relative à la lutte contre la fraude (article 10). Ook in landen zoals Estland en Finland wordt vanuit de (para)fiscale administratie meer druk gezet op platformaanbieders om inkomstengegevens kenbaar te maken. Zie hierover de bijdragen van D. Jegorov, ‘e-Solutions in the future tax-benefit system’ en J. Viskari, ‘Finnish e-state solutions and cross-border cooperation between Estonia and Finland’, gepresenteerd op High-Level Conference, Employment, Social Policy, Health and Consumer Affairs Council (EPSCO) Future of Work: Making It e-Easy, Tallinn 2017, https://www.youtube.com/watch?time_continue=1&v=W5B0gKZq83Y.
Schoukens 2020a.
Zie in dit verband voor de Nederlandse situatie hoofdstuk 3 van dit boek.
Alzo in Zweden en in België (Smart). Zie Westregård 2021, Jorens 2021, Drahokoupil & Piasna 2019. Zie eveneens verder het voorstel van een digital social security (Weber 2018), waarbij een supranationale instelling de bijdrage int van het platform en doorstort aan het uiteindelijk bevoegd verklaarde socialezekerheidsstelsel.
Men kan hierbij bijvoorbeeld verwijzen naar de hoofdaanwijsregel in de Europese coördinatieverordening 883/2004; Lex loci laboris, of de plaats waar men beroepsactief is, bepaalt uiteindelijk het bevoegde socialezekerheidsstelsel (art. 11).
Schoukens 2019a, p. 111-112.
Zie Weber 2018.
Platformarbeid kent een onregelmatig verloop, ongeacht of dit nu op zelfstandige basis dan wel in loondienst wordt uitgeoefend. Verder is het niet steeds even duidelijk wie nu precies de opdrachtgever of de werkgever is van de platformwerker. Voor de organisatie van de financiering van sociale zekerheid zullen deze onduidelijke situaties daarom de nodige uitdagingen met zich meebrengen.
Het inkomen dat platformwerkers genereren verloopt niet altijd op een regelmatige basis. Afhankelijk van de (aanvaarde of uitgevoerde) opdrachten zal de platformwerker betaling genieten. Alzo kan in bepaalde periodes weinig, dan wel veel verdiend worden. Voor de organisatie van de sociale zekerheid kan dit problematisch zijn als, zoals in vele Europese landen, gewerkt wordt met minimumdrempels van verdiensten.1 Blijft men onder de drempel met de (ontvangen) inkomsten, dan wordt, afhankelijk van het systeem, de platformarbeid niet gekwalificeerd als activiteit die in aanmerking komt voor sociale verzekering. De socialeverzekeringsloopbaan van de platformwerker dreigt dus opgebroken te worden. Bijgevolg wordt de toegang tot socialezekerheidsuitkeringen bemoeilijkt wanneer stelsels gebruikmaken van minimale arbeidsperioden en verzekeringsperiodes. Minimumdrempels zijn dus niet enkel een probleem bij de financiering van het stelsel. Ze hebben ook de nodige gevolgen voor de opbouw van uitkeringen (probleem van effectieve bescherming).
Een aantal stelsels (o.a. in Polen, Cyprus, Hongarije) heeft om die reden dan ook besloten om regelingen uit te werken voor ‘kleinverdieners’ voor wie de minimumfinancieringsdrempel verlaagd is. Om de financiële draagkracht van het stelsel te waarborgen, is daarbij eveneens besloten om het pakket van sociale verzekering te beperken of enkel op vrijwillige basis open te stellen.2 Kleinverdieners genieten hierdoor slechts een beperkte ‘mini’verzekering. Maar ook in deze aangepaste regeling kan het zich voordoen dat de platformwerker problemen heeft om de minimale bijdragen te betalen. Bijgevolg voorzien de meeste stelsels in een bijzondere regeling van sociaal verzekerden met betalingsproblemen: ze worden tijdelijk vrijgesteld van betaling van bijdragen, al dan niet met behoud van aanspraak op socialezekerheidsuitkering.3
Onregelmatig verloop van het verworven inkomen creëert eveneens problemen voor de bepaling van de inkomstenbasis voor de bijdragebetaling. Zo zal men bij zelfstandigen en zelfstandige platformwerkers nogal eens gedwongen worden om met een voorlopige inkomstenbasis te werken, waarop voorlopige bijdragen betaald worden. Als na verloop van een bepaalde periode (doorgaans een jaar, in overeenstemming met het fiscale inkomstenjaar) duidelijk is geworden wat het uiteindelijk verworven inkomen is, zal de zelfstandige (platformwerker) moeten bijbetalen of een bedrag terugkrijgen, indien vooraf te veel werd betaald. In een aantal stelsels heeft men echter besloten te werken met een vaste bijdragebasis. Dit kan een fictieve basis zijn (gemiddeld inkomen in de sector of het land) maar ook bijvoorbeeld het laatste gekende vaste inkomen van de betrokken zelfstandige (van een definitief door de fiscus vastgesteld inkomen uit het verleden). Het voordeel van deze aanpak is dat de bijdrage die de zelfstandige (platformwerker) betaalt, vaststaat (en dus bevrijdend werkt). Het nadeel echter is dat inkomsten fluctueren en dat de werkelijk verdiende inkomsten van het lopende jaar lager of hoger kunnen uitvallen dan het vaste referentie-inkomen. Vallen ze lager uit, dan dreigt de platformwerker in de financiële moeilijkheden terecht te komen (zie hierboven); vallen de inkomsten hoger uit, dan zal de inkomenshoogte pas effect hebben één of meerdere jaren later, wanneer het uiteindelijk dienst doet als vast referentie-inkomen. Het moge echter duidelijk zijn dat, ongeacht het toegepaste stelsel, de zelfstandige (platformwerker) geconfronteerd wordt met een situatie waarbij het werkelijk verdiende inkomen uiteindelijk vertraagd doorwerkt in de vaststelling van de definitieve bijdragebasis.
Inkomen uit platformwerkactiviteiten is niet altijd makkelijk traceerbaar, zeker wanneer dit op ‘zelfstandige’ basis verdiend wordt. Wordt het niet (correct) gedeclareerd, dan blijven de verworven inkomsten of zelfs de gehele activiteit grotendeels onder de radar.4 Omwille van het sterk virtuele karakter dreigt platformarbeid al gauw in het grijze arbeidscircuit te vertoeven. Dit is zeker het geval wanneer het online wordt uitgeoefend. Om een correct beeld te krijgen over de inkomensgegevens zal er dus nauw moeten worden samengewerkt met de platformaanbieders.5 Sommige stelsels gaan echter verder en leggen platformaanbieders op om de inkomstengegevens te rapporteren aan de (para)fiscale instellingen.6
Hierbij aansluitend is de meer fundamentele vraag wat nu als beroepsactiviteit kan worden beschouwd bij platformarbeid. Wat is uiteindelijk beroepsinkomen? Hoe trekken we de lijn tussen kleine inkomsten uit kleine geïsoleerde activiteiten, die eerder in de hobbysfeer liggen, en inkomsten die op regelmatige wijze worden verworven, zodat men (potentieel) in zijn levensonderhoud kan voorzien? Die lijn is niet steeds even makkelijk te trekken bij platformarbeid. Het is bovendien een van de redenen waarom bepaalde stelsels een minimumfinancieringsdrempel hanteren om activiteiten die slechts marginaal inkomen opbrengen uit te sluiten van sociale verzekering; zodoende vallen ze onder de noemer van vrije tijd.
Los van de omvang kan eveneens de aard van de verdiensten onduidelijk zijn. Platformwerkers kunnen op basis van verschillende criteria betaald worden. Dit zal niet steeds in functie van een geleverde (arbeids)prestatie zijn. Zo kunnen bij bepaalde profielen, het aantal volgers, hits of gedownloade pagina’s bepalend zijn voor de omvang van de betaling. Maar gaat het in deze gevallen dan ook om beroepsinkomsten? Platformgebruikers die op deze wijze geregeld inkomen (bij)verdienen, zullen vaak van oordeel zijn dat deze verdiensten geen beroepsinkomsten zijn; ze staan immers niet altijd in rechtstreeks verband met geleverde arbeid. Daarentegen worden inkomsten van zelfstandigen nu net gekenmerkt omwille van het feit dat ze niet altijd een onmiddellijk gevolg zijn van gepresteerde arbeid in een bepaalde tijdsperiode. Zelfstandigeninkomsten zijn nu eenmaal meer divers van aard; ze zijn een hybride vorm van opbrengsten uit kapitaal, investeringen en geleverde inspanningen om de zaak te doen renderen. Dit alles maakt het natuurlijk moeilijker om uit te maken met welke inkomsten nu rekening moet worden gehouden voor de financiering van de sociale zekerheid.7
Verder kan eveneens de inning van de premies problematisch zijn. Dit probleem speelt eveneens bij de groep van platformwerknemers, en in het bijzonder bij de vraag wie nu als werkgever kan worden beschouwd om de inhouding van de premies op het loon te materialiseren. Het is niet altijd even duidelijk wie als werkgever acteert in het geval van de platformwerknemer? Het platform zelf of de (rechts)persoon die de opdracht heeft geplaatst op het platform? Interessant hierbij zijn recente (kwalificatie)zaken in de situatie van offline platformactiviteiten. Hier wordt nogal eens tot werknemerschap besloten indien het platform de arbeid sterk reguleert met betrekking tot de wijze van uitvoering en betaling; bijgevolg wordt in deze gevallen de platformaanbieder als werkgever beschouwd.8 Deze aanbieder staat dan ook in voor het correcte verloop van inning van premies.
Indien echter de platformaanbieder de arbeid van de platformwerker niet sterk reguleert, dan blijft de vraag of de opdrachtgever eventueel als werkgever kan worden beschouwd. Is het antwoord positief, dan volgt onmiddellijk de vraag hoe de inning van de socialezekerheidsbijdragen praktisch kan worden georganiseerd. In een dergelijk geval heeft de platformwerker namelijk een ontelbaar aantal (potentiële) werkgevers die elk een deel van de verplichte bijdragen zullen moeten inhouden en/of betalen als werkgever. Kortom, een quasi onmogelijke taak. Om de premieafdrachten mogelijk te maken, ontstaan in een aantal stelsels ‘tusseninstanties’ die namens de platformwerker de betalingen innen en onmiddellijk de wettelijke bijdragen afdragen aan de sociale verzekeringen.9 De opdrachtgever krijgt zo de zekerheid dat de wettelijke verplichtingen inzake socialezekerheidsbijdragen nagekomen worden; de platformwerker van zijn/haar kant bouwt op basis van het samengebrachte inkomen sociale zekerheid op.
Een deel van deze opdrachtgevers kan zich bovendien in het buitenland bevinden, zeker wanneer het gaat om online crowdworkactiviteiten. Het is dan maar de vraag hoe zij zich van hun wettelijke taak als werkgever kunnen kwijten. Platformarbeid – zeker in de virtuele crowdworkvariant – kan zeer flexibel ingericht worden. Het overstijgt makkelijk landsgrenzen. Een minstens even uitdagend probleem als de precieze bepaling van het inkomen en de inning van premies heeft te maken met de bepaling van de geografische arbeidsplaats. Maar waar wordt gewerkt in het geval van platformarbeid dat grotendeels virtueel en dus zeer mobiel inzetbaar is (zoals in het geval van crowdwork)? Welke criteria gaan we hanteren om uit te maken waar activiteiten zijn verricht en waar men sociaal verzekerd is, waar de woonplaats of de effectieve werkplaats is gelegen? En wat te doen met digital nomads, een groep werkenden gekenmerkt door een voortdurend rondtrekken en mobiel inpluggen voor het ‘werk’? Ook de plaats waar het platform is gevestigd of van waaruit het platform via servers wordt aangestuurd of waar de dienstenontvanger is gevestigd, biedt wellicht geen gewenste uitkomst voor dit vraagstuk. De arbeidsplaats is een belangrijk criterium bij arbeidsgerelateerde sociale verzekeringen, zowel in nationaal als internationaal recht.10
Platformarbeid, zeker in zijn online variant, is al gauw grensoverschrijdend van aard. Europese samenwerking – bijvoorbeeld door het gemeenschappelijk bepalen van de criteria ter aanduiding van de werkplaats bij platformarbeid – is wellicht aanbevolen. Omwille van het transnationale karakter van de activiteiten van een platformwerker, wordt al geopperd om een eigen Europees stelsel uit te werken voor de platformwerkers.11 Anderen pleiten voor een uniforme werkwijze in de organisatie van (een uniform bepaalde) premieafdracht: zo zou het platform op elke geldtransfer (voor een geleverde activiteit) een (internationaal vast bepaalde) bijdrage moeten inhouden en doorstorten naar het stelsel waar de platformwerker sociaal verzekerd is (bijvoorbeeld in het land waar de betrokkene woont). We betreden dan het domein van de ‘digitale sociale zekerheid’, een idee van premieheffing gelanceerd door E. Weber.12