Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/10.5.2.2
10.5.2.2 Totstandkomingsgeschiedenis wetswijziging 1994
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS381859:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Het voorontwerp is opgenomen als bijlage in het SER-advies 1988/14, p. 101 e.v. (Bijlage 4).
MvT bij het Voorontwerp van Wet wijziging en aanvulling van de regeling van het recht van enquête, opgenomen in SER-advies 1988/14, p. 121-122.
SER-advies 1988/14, p. 37-38.
Kamerstukken II 1991-1992, 22 400, nr. 6 (MvA), p. 3.
Kamerstukken II 1992-1993, 22 400, nr. 9 (NnavV), p. 2. De uitspraken waar de staatssecretaris naar verwijst zijn OK 28 december 1981, NJ 1983/25 (Diesel Holland) en OK 16 juli 1987, NJ 1988/579 (Briljant).
De A-G maakt de eerste tien jaar nadat hem de enquêtebevoegdheid is verleend, weinig gebruik van de bevoegdheid. Bij de wijziging en aanvulling van het enquêterecht in 1994 komt de betekenis van het begrip openbaar belang derhalve wederom aan de orde. Het beginpunt van deze wetswijziging vormt het uit 1981 stammende Voorontwerp van Wet wijziging en aanvulling van de regeling van het recht van enquête.1 De toelichting op dit voorontwerp gaat uitvoering in op de rol van de A-G in het enquêterecht. De toenmalige minister van Justitie De Ruiter besteedt met name aandacht aan de achtergrond en strekking van het criterium om redenen van openbaar belang. Volgens De Ruiter kan uit de hiervoor besproken totstandkomingsgeschiedenis van de wet van 1971 worden afgeleid dat aan de A-G een beperkte opdracht in het enquêterecht is gegeven. De A-G behoort in het algemeen alleen op te treden wanneer andere belanghebbende, zoals aandeelhouders en vakbonden, dat niet doen en als het openbaar belang in het geding is. Ter onderbouwing verwijst De Ruiter naar de opmerkingen van staatssecretaris Zeevalking uit 1975 dat de A-G niet mag worden beschouwd “als een behoeder van een gezond bedrijfsleven” en dat er geen sprake is van een “algemene, preventief gerichte opdracht” aan de A-G. De minister concludeert vervolgens dat de taak van de A-G bij de toepassing van het enquêterecht een subsidiaire is. Het “coördineren van bestrijding van wanbeleid binnen de ondernemingen”, ziet hij niet als een taak van de A-G.2
In het eerdergenoemde advies 1988/14 reageert de SER op het voorontwerp. De SER onderschrijft het betoog van de minister de Ruiter dat de opdracht aan de A-G in het enquêterecht een beperkte is, in grote lijnen. De term ‘subsidiair’ acht de SER minder juist, omdat het openbaar belang in het geding kan zijn zowel bij een stilzitten als bij een optreden van andere enquêtegerechtigden. Het begrip openbaar belang duidt erop dat de A-G zich niet moet opwerpen als behartiger van privébelangen of van die waarvoor enquêtegerechtigden kunnen opkomen. Zo zijn de belangen van aandeelhouders, verenigingsleden, werknemers, crediteuren, leveranciers en afnemers van de rechtspersoon uitsluitend privébelangen, aldus de SER. De taak van de A-G brengt dan ook mee dat hij alleen van overheidswege kan optreden indien aan twee voorwaarden is voldaan: (i) er staat een openbaar belang op het spel, en (ii) andere enquêtegerechtigden maken geen gebruik van hun enquêterecht. Dit neemt niet weg dat er zich omstandigheden kunnen voordoen waaronder sprake is van zulk een dringend openbaar belang dat de A-G een enquêteverzoek indient naast dat van andere enquêtegerechtigden, om dat openbaar belang afzonderlijk te benadrukken. In welke gevallen het openbaar belang een optreden van de A-G vergt, blijkt volgens de SER niet uit de wettekst. Aan de A-G moet beleidsruimte worden gelaten. De SER verwacht dat over het algemeen duidelijk zal zijn wanneer het openbaar belang in het geding is. Daarvan kan sprake zijn bij ondernemingen die van groot belang zijn voor de nationale economie en de werkgelegenheid. Of bij een onderneming die het gehele bedrijfsleven of een bepaalde sector in publiek diskrediet kunnen brengen.3
De toenmalige Staatssecretaris van Justitie Kosto kan zich goed vinden in voorgaande afwegingen van de SER.4 In de nota naar aanleiding van het verslag gaat hij nog verder in op de rol van de A-G ten aanzien van de werkgelegenheid:
“(…) het feit dat werkgelegenheid op het spel staat voor de procureur-generaal kan een belangrijke, soms doorslaggevende reden zijn om op te treden. Er zijn gevallen geweest waarin de procureur-generaal zijn optreden in het bijzonder op een dreigend verlies van werkgelegenheid heeft gegrond en waarin de ondernemingskamer heeft aanvaard dat dat een openbaar belang kan zijn. Ik kan dat slechts verwelkomen. Verlies van werkgelegenheid tast niet alleen de belangen van de betrokken werknemers ingrijpend aan, maar kan ook de samenleving zodanig raken, dat het openbaar belang in het geding komt.”5