25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid
Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/30.3.2:30.3.2 Kosten
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/30.3.2
30.3.2 Kosten
Documentgegevens:
prof. mr. J.A.M.A Sluysmans, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
prof. mr. J.A.M.A Sluysmans
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 6 maart 1991, ECLI:NL:PHR:1991:AB9358, NJ 1991/818, m.nt. R.A. Mörzer Bruyns (Person/Amsterdam). Het onteigeningsrecht gaat aldus een stuk verder dan art. 8:75 Awb en het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Zie hierover recent de conclusie van A-G Valk voor het arrest Vado/Maastricht, ECLI:NL:PHR:2017:292.
Zoals dat bijv. ook kan in een situatie van overschrijding van de redelijke termijn, zie HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:736.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een bijzonder kenmerk van het onteigeningsrecht is dat krachtens artikel 50 Onteigeningswet de kosten van juridische en anderszins deskundige bijstand van de onteigende in beginsel geheel voor rekening van de onteigenaar komen. Voldaan moet dan worden aan de zogenaamde ‘dubbele redelijkheidstoets’: het moet redelijk zijn dat de onteigende zich van (deze) bijstand heeft voorzien en de kosten van de bijstand moeten binnen de grenzen van het redelijke blijven. Het gaat dan overigens niet alleen om kosten gemaakt in de gerechtelijke procedure, maar ook om kosten uit de administratieve procedure en zelfs al uit het daar weer aan voorafgaande onderhandelingstraject.1 Gelukkig zijn er geen signalen dat de wetgever die kostenvergoeding wil schrappen, maar de gedachte is wel om het moment van vaststelling daarvan te veranderen.
Nu is dat moment van vaststelling aan het einde van de procedure. De (civiele) rechter stelt de definitieve schadeloosstelling vast en oordeelt tevens over de kostenvergoeding, daarbij terugblikkend op de ontwikkelingen in het dossier. Als de inspanningen van de onteigende hebben geresulteerd in een (veel) beter materieel resultaat dan het aanbod dat door de onteigenaar is gedaan bij dagvaarding, kan dat maken dat sneller de kosten volledig worden vergoed dan wanneer die inspanningen weinig tot niets hebben opgeleverd.2 Het opmaken van die balans kan (dus) pas adequaat gebeuren in retrospectief.
In het nieuwe stelsel zou de bestuursrechter een oordeel moeten gaan geven over de redelijkheid van de kosten gemaakt in het bestuursrechtelijke deel van de procedure en de burgerlijke rechter over de kosten gemaakt in het schadedeel. Dat lijkt me geen verbetering, maar juist een recept voor problemen. Ik vraag mij met name af hoe die bestuursrechter in staat kan zijn om een verantwoord oordeel te geven over de kosten uit de eerste fase zonder een beeld te hebben van de (latere) uitkomst van het schadedebat en de complexiteit van de vragen die in dat debat een rol spelen. Het meest aannemelijke antwoord is dat hij dit niet kan – en eigenlijk ook niet moet willen – omdat de beoordeling van het schadedebat nu juist buiten zijn domein (en expertise) valt. Daarmee staat wat mij betreft wel vast dat – als het streven is gericht op een zorgvuldige rechtsbedeling – het oordeel over de vergoeding van kosten ‘gewoon’ daar moet blijven waar het steeds heeft gelegen, namelijk bij de burgerlijke rechter aan de staart van de procedure. De (nieuwe) wet zou dan eenvoudigweg moeten bepalen dat de bestuursrechter in zaken betreffende onteigening niet komt tot een oordeel of beslissing over de kosten. Ik zou dan overigens wel ook willen pleiten voor het opnemen van een bepaling die buiten twijfel stelt dat ingeval de bekrachtiging wordt onthouden of de uitspraak houdende de bekrachtiging wordt vernietigd – en er dus geen vervolgprocedure bij de burgerlijke rechter komt – de kosten van bijstand alsnog bij de burgerlijke rechter kunnen worden verhaald in een separate procedure.3