Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/5.4.3
5.4.3 Bestaande crediteuren hebben geen gebrek aan inzicht
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250446:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Jansz 1973, p. 36, Van Achterberg 1989, p. 222 en Franken & Franken 2008, p. 71. Zie ook Rb. Rotterdam 14 januari 1987, NJ 1988/1050 (Phillips/Van Eijk).
Van Achterberg 1989, p. 222.
Goudsmit 1973, p. 333, Raaijmakers 1976, p. 288, Beckman 1987, p. 533-535, Gülcher 1989a, p. 164, Beckman 1995a, p. 533-534, Beckman 1995b, p. 95-96, Asser/Maeijer 2-III 2000/439, Harmsma 2001, p. 113, Winkel 2004, p. 188 en M.A.J.G. Janssen 2005, p. 121. Zie ook Niels 2010, p. 33-34, die hieraan echter de conclusie verbindt dat de moedermaatschappij aansprakelijk is voor de schulden (die voortvloeien uit een rechtshandeling) van de 403-maatschappij die opeisbaar zijn geworden vanaf het moment dat de 403-verklaring is gedeponeerd. Dit betreft het vierde standpunt dat ik in § 5.2 heb genoemd. Ik heb echter in § 5.3 geconcludeerd dat dit standpunt moet worden afgewezen.
In § 5.5 en § 5.6, onderzoek ik of de 403-aansprakelijkheid terugwerkt in het verleden en zo ja, in hoeverre.
Naast het argument van de parlementaire geschiedenis wordt er ter onderbouwing van het standpunt dat de temporele reikwijdte van de 403-aansprakelijkheid niet terugwerkt in het verleden op gewezen dat de ten tijde van de deponering van de 403-verklaring bestaande crediteuren de jaarrekening van de 403-maatschappij hebben kunnen inzien toen zij met laatstgenoemde een relatie aangingen. Jansz, Van Achterberg, Franken en Franken zijn van mening dat deze crediteuren daarom geen nadeel ondervinden van het feit dat de 403-maatschappij gebruikmaakt van de jaarrekeningvrijstelling van het groepsregime en dus niet hoeven te worden gecompenseerd.1 De moedermaatschappij is om die reden op grond van de 403-verklaring niet aansprakelijk voor de schulden van de 403-maatschappij jegens deze crediteuren. Van Achterberg vult aan dat als deze crediteuren wel een beroep zouden kunnen doen op de 403-verklaring, zij ten onrechte een voordeel krijgen waar zij eerder geen recht op hadden.2
De genoemde auteurs betogen dat slechts de crediteuren van wie de vordering voortvloeit uit een rechtshandeling die de 403-maatschappij heeft verricht nadat de 403-verklaring is gedeponeerd, nadeel ondervinden van het feit dat de 403-maatschappij gebruikmaakt van de jaarrekeningvrijstelling van het groepsregime. Deze crediteuren hebben niet de mogelijkheid om de jaarrekening in te zien en (mede) aan de hand daarvan te beoordelen of zij al of niet een relatie met de 403-maatschappij willen aangaan. De auteurs zijn van mening dat daarom ook alleen die crediteuren hoeven te worden gecompenseerd. De temporele reikwijdte van de 403-aansprakelijkheid moet volgens hen om die reden zo worden uitgelegd dat de moedermaatschappij slechts aansprakelijk is voor de schulden die voortvloeien uit een rechtshandeling die de 403-maatschappij heeft verricht vanaf het moment dat de 403-verklaring is gedeponeerd.
Bovenstaande redenering wordt in de literatuur over het algemeen bestreden. Ik sluit mij aan bij het meerderheidsstandpunt dat ook de crediteuren van wie de vordering voortvloeit uit een rechtshandeling die de 403-maatschappij heeft verricht voordat de 403-verklaring is gedeponeerd, er belang bij kunnen hebben om in de toekomst de nieuwe jaarrekening(en) van de 403-maatschappij in te zien.3 Dit geldt in het bijzonder voor crediteuren die een duurovereenkomst zijn aangegaan met de 403-maatschappij, waaruit periodiek nieuwe vorderingen voortvloeien – ook nadat de 403-verklaring is gedeponeerd. Dat deze crediteuren in het verleden geen nadeel hebben ondervonden omdat zij toen de jaarrekening(en) van de 403-maatschappij hebben kunnen inzien, staat niet ter discussie. Maar vanaf het moment dat de 403-maatschappij gebruikmaakt van de jaarrekeningvrijstelling van het groepsregime ontbreekt het ook hun aan de mogelijkheid om de nieuwe jaarrekening(en) in te zien. Een crediteur die bijvoorbeeld – voordat de 403-verklaring is gedeponeerd – een verhuurovereenkomst met de 403-maatschappij heeft afgesloten, heeft er als verhuurder belang bij om de nieuwe jaarrekening(en) van de 403-maatschappij als huurder te kunnen inzien. Hij kan bijvoorbeeld (mede) aan de hand daarvan beoordelen of hij eventuele zekerheidsrechten uitoefent, de overeenkomst met de 403-maatschappij probeert aan te passen of opzegt, of het faillissement van de 403-maatschappij aanvraagt.
Omdat ook de crediteuren van wie de vordering voortvloeit uit een rechtshandeling die de 403-maatschappij heeft verricht voordat de 403-verklaring is gedeponeerd nadeel ondervinden van het feit dat laatstgenoemde gebruikmaakt van de jaarrekeningvrijstelling van het groepsregime, moeten ook deze crediteuren worden gecompenseerd. Ook zij moeten zich op grond van de 403-verklaring op de moedermaatschappij kunnen verhalen. De aansprakelijkheid van de moedermaatschappij op grond van de 403-verklaring mag daarom niet beperkt blijven tot de schulden die voortvloeien uit een rechtshandeling die de 403-maatschappij heeft verricht nadat deze verklaring is gedeponeerd.4