De grenzen van het recht op nakoming
Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/2.3.2:2.3.2 Nederlands recht
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/2.3.2
2.3.2 Nederlands recht
Documentgegevens:
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS382365:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 5 januari 2001, NJ 2001, 79(Multi Vastgoed/Nethou).
Richtlijn 1999/44/CE 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen (PbEG L 171/12).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het recht op nakoming is in het Nederlandse recht de primaire remedie. De wettelijke basis van de rechtsvordering tot nakoming is art. 3:296 lid 1:
Tenzij uit de wet, uit de aard der verplichting of uit een rechtshandeling anders volgt, wordt hij die jegens een ander verplicht is iets te geven, te doen of na te laten, daartoe door de rechter, op vordering van de gerechtigde, veroordeeld.
Als nakoming nog mogelijk is, moet de schuldeiser zijn wederpartij eerst in een staat van verzuim brengen voordat zijn recht op schadevergoeding en ontbinding ontstaan. Het verzuim treedt in beginsel in met het tevergeefs verlopen van een bij ingebrekestelling gestelde redelijke termijn waarbij de schuldeiser zijn wederpartij tot nakoming aanspoort (art. 6:74 lid 2, art. 6:265 lid 2, art. 6:82 lid 1). Een schuldenaar kan zich tegen een vordering tot ontbinding en omzetting verweren met de stelling dat de tekortkoming de ontbinding respectievelijk de omzetting niet rechtvaardigt (art. 6:265 lid 1 en 6:74 lid 2). Tegen een vordering tot schadevergoeding kan de schuldenaar zich bovendien verweren met een beroep op overmacht (art. 6:74 lid 1 jo. art. 6:75).
Tegen een vordering tot nakoming kan een schuldenaar zich verweren met een beroep op de onmogelijkheid van de nakoming. Voorts kan een schuldenaar zich verweren met een beroep op de stelling dat de schuldeiser zijn keuze in redelijkheid niet op de vordering tot nakoming heeft kunnen laten vallen in het licht van de belangen van de schuldenaar.1
In het kooprecht zijn aanvullende wettelijke beperkingsgronden opgenomen voor het recht op nakoming van de koper die een gebrekkige koopzaak heeft ontvangen. Het gaat hier om het recht op herstel en het recht op vervanging. De Nederlandse wetgever heeft de grenzen van deze rechtsvorderingen nader uitgewerkt. Zo geldt voor de niet-consumentenkoop dat de verkoper zich tegen een vordering tot herstel kan verweren, indien hij hieraan redelijkerwijs niet kan voldoen (art. 7:21 lid 1 onder b). Tegen een vordering tot vervanging van een niet-consumentkoper kan de verkoper zich met succes verweren als de afwijking van het overeengekomene te gering is om de vervanging te rechtvaardigen, of de zaak na het tijdstip dat de koper redelijkerwijze met ongedaanmaking rekening moet houden, teniet of achteruit is gegaan doordat hij niet als een zorgvuldig schuldenaar voor het behoud ervan heeft gezorgd (art. 7:21 lid 1 onder c).
Door de implementatie van de richtlijn consumentenkoop is in de Europese lidstaten het consumentenkooprecht geharmoniseerd. De richtlijn bevat ook aanwijzingen voor de vormgeving van het recht op nakoming van de consumentkoper. Artikel 3 lid 1, 2 en 3 van de richtlijn luidt:2
1. De verkoper is jegens de consument aansprakelijk voor elk gebrek aan overeenstemming dat bestaat bij de aflevering van de goederen.
2. In geval van gebrek aan overeenstemming, heeft de consument het recht dat de goederen kosteloos door herstelling of vervanging in overeenstemming worden gebracht, overeenkomstig lid 3, of dat de prijs op passende wijze wordt verminderd of dat de koopovereenkomst met betrekking tot deze goederen wordt ontbonden, overeenkomstig de leden 5 en 6.
3. In eerste instantie heeft de consument het recht om van de verkoper het kosteloze herstel of de kosteloze vervanging van de goederen te verlangen behalve als dat onmogelijk of buiten verhouding zou zijn.
Een vorm van genoegdoening wordt geacht buiten verhouding te zijn indien zij voor de verkoper kosten meebrengt die, vergeleken met de alternatieve vorm van genoegdoening onredelijk zijn, gelet op:
- de waarde die de goederen zonder het gebrek aan overeenstemming zouden hebben;
- de ernst van het gebrek aan overeenstemming en
- de vraag, of de alternatieve vorm van genoegdoening concreet mogelijk is zonder ernstig overlast voor de consument.
Herstelling of vervanging moet, rekening houdend met de aard van de goederen en het gebruik van de goederen dat de consument wenste, binnen een redelijke termijn en zonder ernstige overlast voor de consument plaatsvinden.
Implementatie van de richtlijn heeft ertoe geleid dat ook naar Nederlands recht een verkoper zich tegen een door de consumentkoper ingestelde actie tot herstel of vervanging kan verweren met de stelling dat herstel of vervanging onmogelijk is of dat deze vorderingen van hem niet kunnen worden gevergd (art. 7:21 lid 4). Herstel of vervanging kan niet van de verkoper worden gevergd als de kosten daarvan in geen verhouding staan tot de kosten van uitoefening van een ander recht of een andere vordering die de koper toekomt, gelet op de waarde van de zaak indien zij aan de overeenkomst zou beantwoorden, de mate van afwijking van het overeengekomene en de vraag of de uitoefening van een ander recht of een andere vordering geen ernstige overlast voor de koper veroorzaakt (art. 7:21 lid 5).
Bij de overeenkomst van aanneming van werk is art. 7:759 de wettelijke basis voor het recht van de opdrachtgever tot opheffing van een gebrek in een opgeleverd werk. Krachtens art. 7:759 lid 2 kan de opdrachtgever vorderen dat de aannemer de gebreken binnen redelijke termijn wegneemt, tenzij de kosten van herstel in geen verhouding staan tot het belang van de opdrachtgever bij herstel in plaats van schadevergoeding.