Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement
Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/4.5.1:4.5.1 Inleiding
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/4.5.1
4.5.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192603:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie uitgangspunt 2 in §4.4. Tollenaar acht echter mogelijk dat een minderheid met het akkoord slechter af is dan in liquidatie: Tollenaar 2017a, p. 75. Deze opvatting hangt samen met zijn stelling dat de best interests-test vanwege haar speculatieve aard in de praktijk weinig bescherming kan bieden en daarom gemist kan worden, vgl. §8.9.3.3 van zijn proefschrift.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
128. Uit het eerste uitgangspunt volgt dat het akkoord een meerwaarde ten opzichte van alternatieve scenario’s moet realiseren. Als tweede uitgangspunt werd de best interests-test geformuleerd. Deze test waarborgt dat vermogensverschaffers op grond van het akkoord ten minste ontvangen wat zij zouden ontvangen wanneer het akkoord geen doorgang zou vinden.1 Het derde uitgangspunt neemt juist de waarde die bij de totstandkoming van het akkoord gerealiseerd wordt tot uitgangspunt en beschrijft hoe deze waarde moet worden verdeeld onder de vermogensverschaffers. De fundamentele vraag die daartoe dient te worden beantwoord is welke rol de tussen vermogensverschaffers geldende rangorde speelt bij een pre-insolventieakkoord.
Voordat ik in §4.5.3 uitwerk waarom de tussen vermogensverschaffers geldende rangorde bij de verdeling van de waarde als uitgangspunt heeft te gelden, sta ik in §4.5.2 kort stil bij het begrip ‘reorganisatiewaarde’.