Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/2.3.2
2.3.2 Grond voor doorbraak van aansprakelijkheid: vereenzelviging
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS306107:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Van de Streek 2016, voetnoot 3 vindt (terecht) “doorbreking van aansprakelijkheidsuitsluiting” een betere formulering.
Vgl. Bartman, Dorresteijn en Olaerts 2016, p. 243 en p. 247 e.v. Asser/Kramer & Verhagen 10-III 2015/82 gaan in op de internationale aspecten van vereenzelviging. Uitgebreid over vereenzelviging: Van Dongen 1995, p. 4 e.v., die de term “identificatie” hanteert ter aanduiding van alle varianten van het verschijnsel “piercing the corporate veil”. Van Dongen maakt daarbij een onderscheid tussen verschillende vormen van identificatie (directe identificatie, omgekeerde identificatie, zijwaartse identificatie, vrijwillige identificatie en de algemene identificatie). De “algemene identificatie” komt overeen met de “vereenzelviging”. Daarbij gaat het volgens Van Dongen (1995, p. 259) om situaties waarin een wettelijke of contractuele norm geen rekening houdt met de economische eenheid tussen een vennootschap en haar aandeelhouder.
Zie: Roelvink 1996, p. 111 en Wezeman 1998, p. 114-115.
Vgl. Hoekzema, GS Onrechtmatige daad, aant. VIII.7.1.1.4. Zie ook: Lennarts 1999, p. 234 en Elbers 2017, m.n. par. 4.2.
Vgl. HR 13 oktober 2000, NJ 2000, 698 (Rainbow Products/Ontvanger) en Gerechtshof Leeuwarden 27 juli 2005, JOR 2005, 237 (Projectontwikkeling Paas).
Timmerman 2000, p. 119.
HR 27 februari 2009, NJ 2009, 318 (Stichting Waaldijk 8/mr. Aerts q.q.).
Zie par. 2.3.3 van de conclusie van P-G Mok voor HR 13 oktober 2000,ECLI:NL:PHR:2000:AA7480. Zie ook: Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015, nr. 56.
Lennarts 1999, p. 234-235.
Ook P-G Mok ziet in par. 2.3.2 van zijn conclusie voor HR 13 oktober 2000,ECLI:NL:PHR:2000:AA7480 vereenzelviging als een grond tot doorbraak van aansprakelijkheid, met de aantekening echter dat vereenzelviging ook buiten de context-doorbraak betekenis heeft.
Zie conclusie van P-G Mok voor HR 13 oktober 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA7480.
Zie par. 2.3.3 van de conclusie van P-G Mok voor HR 13 oktober 2000,ECLI:NL:PHR:2000:AA7480.
Vgl. Akkermans 1987, p. 28.
Vgl. Van Dongen 1995, p. 5.
Doorbraak van aansprakelijkheid1 kan plaatsvinden op grond van wettelijke bepalingen zoals art. 2:138/248 BW. In deze paragraaf komt een andere grond voor doorbraak van aansprakelijkheid aan de orde, te weten de zogenoemde “vereenzelviging”.2 De term “vereenzelviging” (ook wel aangeduid als: “identificatie”) heeft (evenals de term “doorbraak”) geen vastomlijnde inhoud.3 De term wordt gebruikt om aan te duiden dat handelingen van een natuurlijk persoon in het maatschappelijk verkeer hebben te gelden als die van een rechtspersoon. De term wordt echter ook gebruikt om gevallen aan te duiden waarin wordt voorbijgegaan aan het identiteitsverschil tussen een rechtspersoon (bijvoorbeeld een moedermaatschappij) en een bij die rechtspersoon betrokken (natuurlijke of rechts)persoon (bijvoorbeeld een dochtermaatschappij).4 In laatstgemeld geval wordt het identiteitsverschil tussen rechtssubjecten als het ware (volledig) weggedacht.5 Timmerman merkt op dat vereenzelviging het samenvoegen van twee rechtssubjecten suggereert.6 Vereenzelviging is zowel mogelijk tussen twee verschillende rechtspersonen als tussen een rechtspersoon en een natuurlijk persoon.7
Bij vereenzelviging gaat het om inbreuken op de regel dat een rechtspersoon in vermogensrechtelijk opzicht met een natuurlijk persoon gelijk staat (art. 2:5 BW).8 Overigens is het niet zo dat vereenzelviging alleen wordt toegepast in geval van doorbraak van aansprakelijkheid. Vereenzelviging wordt ook – of beter gezegd: wordt vooral – toegepast om bijvoorbeeld een besluit van een moedermaatschappij aan een dochtermaatschappij toe te rekenen zonder dat dit leidt tot aansprakelijkheid van de een voor schulden van de ander.9 Vereenzelviging kán derhalve leiden tot doorbraak en doorbraak kán gebaseerd zijn op vereenzelviging. Vereenzelviging is een grond voor doorbraak van aansprakelijkheid aangezien een schuldeiser zijn vordering niet alleen jegens de eigenlijke debiteur, maar ook jegens een andere (met die debiteur te vereenzelvigen) persoon geldend kan maken.10 Naar die laatste persoon wordt dan “doorgebroken”.
Mok merkt op dat er aanleiding kan zijn tot vereenzelviging van een rechtspersoon met een andere rechtspersoon of met een natuurlijk persoon, indien misbruik is gebruikt van identiteitsverschil en met name dan wanneer de betrokkenen zich zodanig gedragen hebben dat derden zijn benadeeld doordat zij met betrekking tot het identiteitsverschil en de consequenties daarvan in verwarring zijn gebracht. Hij doelt daarbij op gevallen waarin de namen van entiteiten op elkaar lijken, beide entiteiten op hetzelfde adres zijn gevestigd, personeel bij beide entiteiten in dienst is et cetera. Daardoor kan een situatie ontstaan waarin voor andere partijen niet duidelijk is wanneer met de ene persoon en wanneer met de andere persoon wordt gehandeld en wanneer de ene dan wel de andere persoon aansprakelijk is, zodat de schijn van identiteit wordt opgewekt.11 Daarnaast kan men volgens Mok denken aan gevallen waarin (bijvoorbeeld) een B.V. een onderneming overdraagt aan een andere B.V. zonder dat die laatste alle schulden overneemt, zulks terwijl beide vennootschappen door dezelfde personen worden beheerst.12
Het woord “vereenzelviging” impliceert dat bijvoorbeeld een rechtspersoon en een natuurlijk persoon zodanig veel op elkaar lijken dat er geen onderscheid tussen die personen gemaakt kan worden.13 Als gevolg van de vereenzelviging worden verschillende personen beschouwd als één (rechts)persoon en kunnen rechten en verplichtingen van de ene persoon worden toegerekend aan de andere.14 De Hoge Raad is (mede daarom) terughoudend in het aanvaarden van een dergelijke vorm van vereenzelviging.