Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/6.3.1
6.3.1 Verhouding tussen voorzieningenrechter en bodemrechter; de afstemmingsregel
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS197018:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
HR 19 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5870 (Staat/NVV c.s.). Zie over de gevolgen voor de beslissing van de voorzieningenrechter uitvoeriger: Van der Helm, Het rechterlijk bevel en verbod (BPP nr. 19) 2019/67.
HR 7 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0015 (Yukos/Promneftstroy en Rosneft); HR 19 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5870 (Staat/NVV c.s.). Deze chronologie kan bijvoorbeeld optreden als van het kort geding vonnis hoger beroep is ingesteld, dat wordt behandeld nadat de bodemrechter heeft beslist.
Krans merkt op dat de Hoge Raad deze term gebruikt in HR 7 januari 2011 (Yukos/Promneftstroy en Rosneft) r.o. 3.4.3 (H.B. Krans, annotatie bij HR 7 januari 2011, NJ 2011/304, nr. 5).
HR 7 januari 2011 (Yukos/Promneftstroy en Rosneft), r.o. 3.4.2.; HR 19 mei 2000 (Staat/NVV c.s.), r.o. 3.2.
HR 7 januari 2011 (Yukos/Promneftstroy en Rosneft), r.o. 3.4.2. Een andere uitzondering betreft “een zodanige wijziging van omstandigheden dat moet worden aangenomen dat de bodemrechter ingeval hij daarvan op de hoogte zou zijn geweest, tot een andere beslissing zou zijn gekomen”.
H.B. Krans, annotatie bij HR 7 januari 2011, NJ 2011/304, nr. 20.
HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1128 (KB-Lux), r.o. 3.3.3.
H.B. Krans, annotatie bij HR 7 januari 2011, NJ 2011/304, nr. 8, 9, 12. Anders: Tjong Tjin Tai, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 257 Rv, aant. 5 (online, bijgewerkt t/m 8 september 2019).
In de bodemzaak had de rechtbank geoordeeld – kort gezegd – dat de benoeming in Rusland van een curator van Yukos Oil in Nederland niet kon worden erkend. Deze curator had aandelen verkocht. De koper was geen partij in de bodemzaak. In kort geding kwam zij op in de hoedanigheid van aandeelhouder. Die hoedanigheid werd betwist. Zij had de aandelen geleverd gekregen van de curator, wiens benoeming ingevolge het oordeel van de bodemrechter niet werd erkend. De rechtsvraag in het kort geding, of hij tot levering bevoegd was en dientengevolge de koper rechtsgeldig aandeelhouder was geworden, lag daarmee in het verlengde van het oordeel van de bodemrechter. Het ligt voor de hand dat deze omstandigheid aanleiding is voor de uitzondering op het beginsel dat de afstemmingsregeling toepasselijk is als in het kort geding en de bodemprocedure dezelfde partijen optreden. Of voor de uitzondering voldoende is dat de te beoordelen rechtsvragen in elkaars verlengde liggen, of dat er bijkomende voorwaarden zijn, is uit het arrest niet met zekerheid af te leiden. Zie over de casus van Yukos ook 6.3.2.
HR 7 januari 2011 (Yukos/Promneftstroy en Rosneft), r.o. 3.4.3.
H.B. Krans, annotatie bij HR 7 januari 2011, NJ 2011/304, nr. 10 en 11.
HR 24 april 2015 (KB-Lux), r.o. 3.3.4.
Scheltema, NTBR 2009/23. Dat geldt ook als geen gebruik is gemaakt van die met waarborgen omklede procedure.
Zie ook concl. A-G P.J. Wattel, ECLI:NL:PHR:2014:2345, bij HR 24 april 2015, 7.1.
Lindijer 2006, 273. Zie over het element van rechtszekerheid ook concl. A-G E.M. Wesseling-van Gent, ECLI:NL:PHR:2004:AO3167, bij HR 7 mei 2004, 2.2.
Zodanige gebondenheid vloeit niet voort uit het beginsel van de formele rechtskracht. Over feiten die de bestuursrechter in zijn oordeel heeft betrokken, dient de civiele rechter, dus ook de voorzieningenrechter, zich derhalve zelfstandig een oordeel te vormen (HR 24 april 2015 (KB-Lux), r.o. 3.3.4). Van Angeren leidt uit HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:661(Staat-Stichting Beheer SNS Reaal e.a.) af, dat de voorzieningenrechter ook zelfstandig over vragen van juridische aard kan oordelen (Van Angeren, De gewone rechter en de bestuursrechtspraak (R&P nr. SB7) 2019/81, 2).
Voor de grondslag zoals geformuleerd in het KB-Lux arrest, zie nr. 197.
Snijders stipt het punt van de rechtszekerheid in verband met de afstemmingsregel zijdelings aan (H.J. Snijders, annotatie bij HR 19 mei 2000, NJ 2001/407, nr. 2.a.). Mogelijk doelt hij op een aanverwante vorm van rechtszekerheid, namelijk de zekerheid dat men houvast kan ontlenen een rechterlijke beslissing. Zie over die vorm ook: concl. A-G E.M. Wesseling-van Gent, ECLI:NL:PHR:2004:AO3167, bij HR 7 mei 2004, 2.2.
Zie nr. 197.
[196] De verhouding tussen de civiele bodemrechter en de voorzieningenrechter wordt gekenmerkt door artikel 257 Rv. Een beslissing in een civiele bodemprocedure prevaleert boven een uitspraak in kort geding over hetzelfde geschil. Als de bodemrechter anders oordeelt dan eerder de voorzieningenrechter deed, verliest de beslissing van deze laatste haar kracht.1
Ook bij een andere chronologie, als de bodemrechter eerder heeft beslist dan de voorzieningenrechter, moet deze laatste bij zijn beslissing over een voorlopige voorziening zijn oordeel in beginsel afstemmen op dat van de bodemrechter.2 Dit wordt aangeduid met de ‘afstemmingsregel’.3 Het maakt daarbij niet uit of het oordeel van de bodemrechter is vervat in een tussenvonnis of een eindvonnis, is opgenomen in overwegingen dan wel het dictum, en evenmin of het nog onderhevig is aan een rechtsmiddel.4 Uitzonderingen op de afstemmingsregel zijn mogelijk, onder meer als het bodemvonnis klaarblijkelijk op een misslag berust terwijl de beslissing op een aangewend rechtsmiddel niet kan worden afgewacht.5
Het primaat van het oordeel van de bodemrechter vindt rechtvaardiging in het verschil in aard tussen de procedures. De bodemprocedure is met meer waarborgen omgeven dan het kort geding. Die waarborgen krijgen voor een belangrijk deel inhoud door het verschijnen van de gedaagde partij en een daadwerkelijk partijdebat. Krans ziet daarin redenen om de afstemmingsregel te beperken tot contradictoire bodemprocedures.6 De Hoge Raad lijkt toepassing van de afstemmingsregel inderdaad voor te behouden aan bodemprocedures op tegenspraak. Hij heeft in de zaak KB-Lux overwogen, dat aan de afstemmingsregel ten grondslag ligt dat de rechtsverhouding tussen partijen in een contradictoire bodemprocedure, zo nodig na bewijslevering en rapportage door deskundigen, in beginsel bindend tussen partijen wordt vastgesteld, hetgeen in kort geding niet het geval is.7
In beginsel is het voor toepasselijkheid van de afstemmingsregeling nodig dat het kort geding en de bodemprocedure tussen dezelfde partijen wordt gevoerd. Dat sluit, meen ik, aan bij deze door de Hoge Raad geformuleerde grondslag, waarvan bindende vaststelling van een rechtsverhouding tussen partijen de kern vormt. Krans leidt uit het arrest van de Hoge Raad inzake Yukos/Promneftstroy en Rosneft af dat uitzonderingen mogelijk zijn; volgens hem is niet vereist dat in het kort geding exact dezelfde partijen optreden als in de bodemprocedure.8 In die uitspraak is niet expliciet vermeld welke omstandigheden een uitzondering rechtvaardigen.9
Het is niet nodig dat in kort geding en bodemprocedure precies dezelfde rechtsvraag is voorgelegd.10 Volgens Krans draait het bij de toepasselijkheid van de afstemmingsregeling om de mate van verwantschap tussen de procedures en de samenhang tussen de rechtsvragen.11
[197] De afstemmingsregel vindt niet alleen toepassing als de bodemrechter een burgerlijke rechter is. Ook in de verhouding tussen de bestuursrechter en de (burgerlijke) voorzieningenrechter speelt deze een rol. De Hoge Raad heeft overwogen dat de voorzieningenrechter, als voor zijn beoordeling de rechtmatigheid van een bestuursbesluit van belang is, zijn oordeel over de rechtmatigheid van dat besluit in beginsel moet afstemmen op het oordeel van de bestuursrechter.12 Aan die verplichting liggen de bevoegdheidsverdeling tussen burgerlijke rechter en bestuursrechter en het beginsel van formele rechtskracht ten grondslag. Dat beginsel houdt in, dat indien tegen een besluit van een bestuursorgaan een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang heeft opengestaan, de burgerlijke rechter uit moet gaan van de rechtmatigheid van (de totstandkoming en de inhoud van) het besluit, zolang het niet is vernietigd.13 Of een bestuursrechtelijk besluit formele rechtskracht heeft, hangt dus af van de (mogelijkheid van) beoordeling in een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang.14 De regel van formele rechtskracht, vermeldt Lindijer, voorkomt tegengestelde beslissingen van de bestuursrechter en de burgerlijke rechter. Daarmee is het vertrouwen in de rechtspraak gediend.15
De voorzieningenrechter kan ook stuiten op geschilpunten die niet de geldigheid van het besluit betreffen. Als hij zulke geschilpunten beoordeelt, is hij daarbij niet gebonden aan inhoudelijke overwegingen van de bestuursrechter.16
[198] Uit de zojuist vermelde jurisprudentie kan de grondslag van de afstemmingsregel worden afgelezen.17 En het toepassingsgebied is er in aangeduid. Daarmee is de ratio van de regel nog niet gegeven. De ratio moet, lijkt me, gezocht worden in de rechtszekerheid: het doel is het voorkomen van tegenstrijdige rechterlijke uitspraken.18 De KB-Lux uitspraak wijst ook op die ratio. Uit dat arrest blijkt dat de toepasselijkheid van de afstemmingsregel op beslissingen van de bestuursrechter mede berust op de formele rechtskracht.19 Dat beginsel voorkomt tegengestelde beslissingen. De afstemmingsregel kan worden beschouwd als wegwijzer voor situaties van dreigende tegenstelling tussen beslissingen van voorzieningenrechters en eerdere beslissingen van bodemrechters. Uitgedrukt in termen van zijn ratio, voorkomt de afstemmingsregel dat de rechtsgevolgen van de beslissing van de voorzieningenrechter onverenigbaar zijn met de rechtsgevolgen van de beslissing van de bodemrechter. Daarop voortbordurend zou ik ‘samenhangende rechtsvragen’ willen verstaan als: rechtsvragen die kunnen leiden tot rechterlijke oordelen, die naar hun rechtsgevolgen onverenigbaar zijn.