De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland
Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/4.4.4.7:4.4.4.7 Terugwerkende kracht van Europese soft law?
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/4.4.4.7
4.4.4.7 Terugwerkende kracht van Europese soft law?
Documentgegevens:
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS397266:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 2.7.3.
Zie bijvoorbeeld HvJEG 6 maart 2007, C-292/04 (Meilicke e.a.), Jur. 2007, p. 1-1835, r.o. 34. Zie hieromtrent ook Jans e.a. 2011, p. 275-276 en Lenaerts 2007, p. 1642-1643.
Zie in het kader van het mededingingsrecht GvEA 20 maart 2002, T-23/99 (LR af 1998 A/S/ Commissie), Jur. 2002, p. II-1705, r.o. 274 e.v.
Zie paragraaf 5.6.6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In hoofdstuk 2 is besproken dat de EU in het kader van de verstrekking van Europese subsidies werkt met zogenoemde programmaperioden.1 Bij de start van een programmaperiode is veelal nog niet duidelijk welke regels uit de Europese subsidieverordeningen interpretatieproblemen gaan opleveren. Het komt dan ook vaak voor dat gedurende de programmaperiode interpretatieve Europese soft law wordt vastgesteld. Het is de vraag in hoeverre deze soft law ook van toepassing is op Europese subsidies die reeds zijn verstrekt. Het betreft immers een interpretatie van de Europese Commissie, niet een interpretatie van het Hof van Justitie die in beginsel moet worden geacht te gelden sinds de inwerkingtreding van de bepaling die wordt geïnterpreteerd.2
Voor zover het gaat om de interpretatie van bestaande regels, is het goed mogelijk dat deze interpretatie toch wordt toegepast, ondanks het feit dat de soft law nog niet bestond bij het ontstaan van de subsidieverhouding tussen het nationaal uitvoeringsorgaan en de eindontvanger van de Europese subsidie. Nationale uitvoeringsorganen zullen immers vrezen dat indien zij de bestaande regels niet overeenkomstig de soft law interpreteren, de Europese Commissie zal weigeren de betaalde Europese subsidies te vergoeden. Ook hier geldt dat, voor zover het louter om een interpretatie van een bestaande regel gaat, kan worden betwijfeld of de eindontvanger van de Europese subsidie zich kan beroepen op onbekendheid met de desbetreffende interpretatie. Als gezegd zullen de regels die van toepassing zijn op de subsidieverhouding tussen het nationaal uitvoeringsorgaan en de eindontvanger immers in veel gevallen moeten worden geïnterpreteerd. Verdedigbaar is dat een nationaal uitvoeringsorgaan daarbij de interpretatie mag hanteren die door de Europese Commissie blijkens niet-gepubliceerde Europese soft law wordt voorgestaan. Dit is slechts anders indien de soft law in tegenspraak is met het Europese recht.3 Voor zover de Europese soft law niet is gepubliceerd, zal het voorts voor een eindontvanger van de Europese subsidie lastig zijn aan te tonen dat de door de Europese Commissie voorgestane interpretatie nog niet bestond op het moment van het aangaan van de subsidieverhouding. Op deze problematiek wordt in hoofdstuk 5 dieper ingegaan, voor zover het gaat om wijzigingen van de subsidieverplichtingen voor de eindontvanger van de Europese subsidie.4