De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/4.3.3:4.3.3 De arbeidsovereenkomst
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/4.3.3
4.3.3 De arbeidsovereenkomst
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949690:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De leraar kan op basis van verschillende overeenkomsten werkzaam zijn voor een school, zoals een overeenkomst van opdracht voor een zelfstandige en uitzendkracht of een arbeidsovereenkomst voor een werknemer in vaste of tijdelijke dienst bij het bevoegd gezag. Het grootste deel van de leraren is als werknemer werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst. Op de gezagsverhouding tussen de werknemer/leraar en de werkgever/bevoegd gezag wordt eerst ingegaan. In § 4.3.7. wordt kort ingegaan de vraag op of sprake is van een gezagsverhouding tussen het bevoegd gezag en een uitzendkracht of zelfstandige.
Met de arbeidsovereenkomst wordt een verbintenis aangegaan tussen de leraar en het bevoegd gezag. Hiermee wordt beoogd tussen hen een duurzame wederzijdse loyaliteitsrelatie tot stand te brengen.1 De leraar gaat daarmee onderdeel uitmaken van de school en zal zich moeten gaan verhouden tot het bevoegd gezag, zijn werkgever, en tot zijn collega’s, de leerlingen en hun ouders. De belangen van de leraar/werknemer en het bevoegd gezag/werkgever zijn tot op zekere hoogte hetzelfde.2 Zij spannen zich immers beiden vanuit hun eigen rol in om goed onderwijs te verzorgen voor de leerlingen.
De arbeidsovereenkomst heeft ook een specifiek juridische functie, die vanuit twee theorieën benaderd kan worden.3 Met de contractuele theorie wordt aangesloten bij het algemene leerstuk van de contractsvrijheid. Er wordt dan van uitgegaan dat de werkgever en de werknemer voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst vrij zijn in het maken van afspraken. Middels onderhandelingen en het afsluiten van de overeenkomst wordt zekerheid verkregen over de toekomstige verhouding tussen hen. In de institutionele theorie wordt de arbeidsovereenkomst niet gezien als een individuele zaak tussen een specifieke werknemer en werkgever. De overeenkomst heeft ook invloed op andere werknemers van de betreffende organisatie en op derden. Daarnaast kunnen partijen zich niet op één moment definitief vastleggen doordat de toekomst van nature onzeker is. Ten slotte zijn de onderhandelingen vaak niet gelijkwaardig. De werknemer bevindt zich immers in een zwakkere positie. De overeenkomst moet dan ook ten faveure van de werknemer worden bijgesteld. Beide theorieën lopen in de praktijk door elkaar. Er is een mate van contractsvrijheid, soms doen zich nieuwe omstandigheden voor waarna de overeenkomst moet worden gewijzigd en ook wordt de zwakkere positie van de werknemer in belangrijke mate gecorrigeerd met wetgeving die hem bescherming biedt.
Net als elke andere overeenkomst komt de arbeidsovereenkomst tot stand door wilsovereenstemming.4 Er moet dan ook sprake zijn van aanbod en aanvaarding. De leraar en het bevoegd gezag gaan met andere woorden vrijwillig met elkaar een arbeidsovereenkomst aan. Die overeenstemming brengt met zich dat de werknemer zich verbindt arbeid te verrichten in dienst van de werkgever en de werkgever zich verbindt daarvoor loon te betalen.5 Uit het in dienst verrichten van arbeid vloeit voort dat een gezagsverhouding bestaat tussen de werkgever en de werknemer, daar wordt dieper op ingegaan in de volgende paragraaf.