Einde inhoudsopgave
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/3.3.2
3.3.2 Geen gevallen van rechtsverwerking op basis van enkel tijdsverloop binnen een lopende korte verjaringstermijn in gepubliceerde rechtspraak; Hoge Raad hanteert strenge motiveringscontrole
H. Boom, datum 28-06-2024
- Datum
28-06-2024
- Auteur
H. Boom
- JCDI
JCDI:ADS973567:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Smeehuijzen constateerde dat ook al voor de periode tot en met 2008, zie Smeehuijzen 2008, par. 27.8.3.
HR 12 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:24, NJ 2024/41, r.o. 3.4.
HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1902 (Zilveren Kruis/Medisch Centrum Rhijnauwen) (kantoorgenoten van mij waren betrokken bij deze zaak)
HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1902 (Zilveren Kruis/Medisch Centrum Rhijnauwen), r.o. 3.2.4.
Idem, r.o. 3.4.1-3.4.2.
Zie Hof ’s-Hertogenbosch 17 maart 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:982 (Zilveren Kruis/Medisch Centrum Rhijnauwen).
Zie conclusie A-G Hartlief bij HR 12 oktober 2018 (Zilveren Kruis/Medisch Centrum Rhijnauwen), ECLI:NL:PHR:2018:577, par. 3.27.
Zie daarover ook de conclusie van A-G Hartlief: ECLI:NL:PHR:2018:577, par. 3.27; over deze kwestie van toepassingsbereik ten aanzien van art. 6:89 BW kom ik overigens in hoofdstuk 4 nog nader te spreken.
Zie HR 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1902 (Zilveren Kruis/Medisch Centrum Rhijnauwen), r.o. 3.3.1-3.3.2.
Vgl. de overweging van A-G Hartlief in zijn conclusie: ECLI:NL:PHR:2018:577, par. 3.27.
Dit betreft een zaak over rechtsverwerking buiten het verbintenissenrecht. Omdat het echter een Hoge Raad-arrest betreft met een vrij algemene strekking, is dit arrest ook in verbintenisrechtelijke situaties van belang. Daarom bespreek ik het op deze plaats.
Zie HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2574, NJ 2017/75 (Bab/Cordial), r.o. 2.
Idem, r.o. 4.3.
HR 7 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:635, NJ 2017/177 (Jongepier q.q./Drieakker c.s.).
Idem, r.o. 3.5.2.
Vgl. overigens over de motiveringsplicht van de feitenrechter met betrekking tot rechtsverwerking Tjittes & Boom, Rechtsverwerking en klachtplichten (Mon. BW nr. A6b) 2020/29.
Ik constateer na een analyse van de rechtspraak over rechtsverwerking onder het nieuwe verjaringsrecht dat zich, voor zover ik in de gepubliceerde rechtspraak kon nagaan, geen gevallen laten uitwijzen waarin de rechter alleen tijdsverloop voldoende achtte voor het aannemen van rechtsverwerking binnen een lopende korte verjaringstermijn.1 Bij deze bevinding past evenwel een belangrijke kanttekening: op basis van uitspraken alleen, zonder inzicht in het dossier, kan niet steeds worden geverifieerd of verjaring naast een beroep op rechtsverwerking daadwerkelijk aan de orde is gesteld. Daarom kan ook niet met zekerheid worden gezegd of steeds sprake was van een lopende korte verjaringstermijn.
Recent heeft de Hoge Raad wel een arrest gewezen waarin hij een hofarrest vernietigt, omdat in het betreffende arrest was overwogen dat de eiser geen recht meer geldend kon maken met betrekking tot een gebruikersvergoeding voor een aantal landbouwmachines. Dat oordeel was alleen gegrond op het tijdsverloop vanaf 2004 tot de datum van de inleidende dagvaarding, 19 oktober 2020. De Hoge Raad is hier kort over: hij overweegt dat het hof kennelijk het oog heeft gehad op rechtsverwerking, terwijl rechtsverwerking op grond van alleen tijdsverloop niet mogelijk is.2
Wanneer rechtsverwerking niet alleen op grond van tijdsverloop, maar ook op grond van bijkomende omstandigheden wordt aangenomen, is de Hoge Raad evengoed streng. Ik bespreek hierna drie arresten waarbij het hof tot rechtsverwerking concludeerde en waarbij de Hoge Raad het betreffende hof telkens terugfluit.
In het arrest Zilveren Kruis/Medisch Centrum Rhijnauwen werd de lat voor het aannemen van een op rechtsverwerking geënt beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid volgens de Hoge Raad niet gehaald, althans niet met de motivering zoals door het hof in zijn arrest gegeven.3 De casus is als volgt. Zilveren Kruis vordert terugbetaling door Medisch Centrum Rhijnauwen van uitbetaalde declaraties over de periode 2007-2009. Naar aanleiding van een klacht leidt onderzoek van Zilveren Kruis tot de conclusie dat Medisch Centrum Rhijnauwen bij een aanzienlijk deel van zijn declaraties met betrekking tot laboratoriumonderzoek geen sprake was van de vereiste verwijzing door een huisarts of medisch specialist. In de betreffende declaraties was wel de code voor huisarts als verwijzer vermeld. De rechtbank wijst de vordering van Zilveren Kruis van € 1.313.402,35, gegrond op onverschuldigde betaling, toe. Het hof vernietigt gedeeltelijk en wijst slechts een bedrag van € 635.114,35 toe. Het hof legt daaraan de overweging ten grondslag dat Zilveren Kruis, zodra zij op de hoogte raakte van het feit dat declaraties waren ingediend waaraan geen verwijzing van een gekwalificeerde arts ten grondslag lag, dat gebrek had moeten melden bij Medisch Centrum Rhijnauwen. Dat moment was in juli 2009. Zilveren Kruis heeft echter tot juli 2010 gezwegen en gedurende die tijd alle declaraties van Medisch Centrum Rhijnauwen betaald, zodat het onverschuldigd betaalde bedrag nog verder is opgelopen. Dit terwijl Medisch Centrum Rhijnauwen deze facturen als gevolg daarvan niet alsnog bij verzekerden in rekening kon brengen. Daarvoor had Medisch Centrum Rhijnauwen namelijk vooraf aan de verzekerde moeten mededelen dat sprake was van een niet-gedekte zorgverrichting. Dat heeft zij niet gedaan, omdat zij in de veronderstelling verkeerde dat zij deze facturen bij Zilveren Kruis kon declareren. Het hof acht het daarom onaanvaardbaar om de vordering van Zilveren Kruis toe te wijzen voor zover deze ziet op de periode tot juli 2009.4
De Hoge Raad sauveert de oordeelsvorming van het hof grotendeels, maar acht de motivering van het hof onbegrijpelijk voor zover het heeft aangenomen dat Zilveren Kruis al in juli 2009 wetenschap moest hebben van de aard en de omvang van de onregelmatigheden in de declaraties van Medisch Centrum Rhijnauwen en zich toen bij Medisch Centrum Rhijnauwen had moeten melden. De Hoge Raad weegt daarbij mee dat Zilveren Kruis heeft aangevoerd dat zij in juli 2009 bekend raakte met slechts één ongedekte declaratie, terwijl zij niet eerder klachten had ontvangen. Daarom heeft Zilveren Kruis eerst nader onderzoek gedaan alvorens zich bij Medisch Centrum Rhijnauwen te melden.5 In de procedure na cassatie en verwijzing overweegt het Hof ’s-Hertogenbosch dat deze onderzoekstermijn redelijk is en dat de vordering van Zilveren Kruis daarom integraal moet worden toegewezen.6
De toepassing van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid door het Hof Arnhem-Leeuwarden voorafgaand aan de cassatieprocedure komt neer op rechtsverwerking, zoals A-G Hartlief in zijn conclusie bij dit arrest opmerkt.7 Dat ligt ook voor de hand omdat het hof het beroep van Medisch Centrum Rhijnauwen op art. 6:89 BW van de hand heeft gewezen. Het was van oordeel dat art. 6:89 BW niet van toepassing was. Het hof heeft een andere grondslag gezocht om dit verweer toch inhoudelijk te kunnen behandelen. Volgens het hof is deze klachtplicht niet van toepassing op vorderingen uit hoofde van onverschuldigde betaling.8 Het hof plaatst dit verweer in de sleutel van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid, welk oordeel door de Hoge Raad in stand wordt gelaten.9 Door niet meteen na ontdekking in actie te komen en foutieve declaraties uit te blijven betalen, is Medisch Centrum Rhijnauwen op het verkeerde been gezet en is hem de kans ontnomen om de gevolgen van zijn tekortkoming te beperken.10 In dit geval resulteert dit nadeel zijdens Medisch Centrum Rhijnauwen evenwel niet in rechtsverwerking omdat van Zilveren Kruis dergelijke onmiddellijke actie redelijkerwijs niet kon worden verwacht.
Het tweede voorbeeld is de Curaçaose kwestie Bab/Cordial.11 Het gemeenschappelijk hof van, kort en staatkundig onzuiver gezegd, de Antillen oordeelde in die zaak dat Bab zijn recht op het voeren van een enquêteprocedure had verwerkt. Bab diende op 20 februari 2015 een enquêteverzoek bij het gemeenschappelijk hof in, terwijl hij gedurende de vijf daaraan voorafgaande jaren geen bezwaren tegen de gang van zaken bij Cordial aan Cordial en Turnham kenbaar heeft gemaakt. De laatste keer dat Bab dat deed, was tijdens aandeelhoudersvergaderingen van 11 maart 2010. Aldus is volgens het hof bij Cordial en Turnham het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat Bab zich bij de emissiebesluiten had neergelegd en aan de uitvoering daarvan geen gevolgen zou verbinden. Indien het beleid en de gang van zaken met betrekking tot die besluiten nu toch weer ter discussie gesteld zouden kunnen worden, zouden zij volgens het hof onredelijk worden benadeeld in hun positie.12
De Hoge Raad casseert de beschikking van het gemeenschappelijk hof. Volgens de Hoge Raad heeft het hof ten onrechte geen bijzondere omstandigheden vastgesteld die aanleiding hebben gegeven tot gerechtvaardigd vertrouwen of onredelijke benadeling aan de zijde van Cordial en Turnham. Het enkele tijdsverloop van bijna vijf jaar na de emissiebesluiten en drie jaar na inwerkingtreding van het nieuwe enquêterecht in Curaçao op 1 januari 2012 kan niet als een zodanige omstandigheid worden aangemerkt, aldus de Hoge Raad.13
Hoewel deze zaak, gelet op de specifieke casuïstiek met betrekking tot het recht om een enquêteprocedure te voeren, geen samenloop met verjaringsregels zal opleveren, is hij toch vermeldenswaard. De casus illustreert namelijk dat de Hoge Raad onverminderd streng is waar het aankomt op de motivering van feitenrechters ten aanzien van gerechtvaardigd vertrouwen en onevenredig nadeel als constitutieve factoren van een rechtsverwerkingsoordeel.
Een derde geval betreft de zaak Jongepier q.q./Drieaker c.s. De zaak gaat over de rechtsgeldigheid van een door de Thieme-groep, de bank en minderheidsaandeelhouder Drieakker gesloten overwaarde-arrangement. De Thieme-groep gaat failliet en Jongepier (hierna: de curator) wordt tot curator benoemd. De curator begint een procedure tegen de bank en Drieakker met als inzet de vernietiging van het overwaarde-arrangement op grond van de faillissementspauliana. Het hof wijst deze vordering af vanwege het ontbreken van wetenschap van benadeling bij de Thieme Groep en Drieakker. Ten overvloede honoreert het hof bovendien het beroep van Drieakker c.s. op rechtsverwerking. Uit de verslagen van de curatorinterviews is volgens het hof gebleken dat de curator aan een betrokkene van Drieakker heeft medegedeeld dat hij zijn geld zou terugkrijgen, althans dat het er goed voor hem uitzag. Vervolgens heeft de curator bijna anderhalf jaar laten verstrijken voordat hij alsnog zijn vernietigingsverklaringen heeft uitgebracht. Drieakker mocht er daarom gerechtvaardigd op vertrouwen dat de geldigheid van het overwaarde-arrangement niet meer ter discussie zou staan, aldus het hof. Volgens het hof had het op de weg van de curator gelegen om ten aanzien van de rechtsgeldigheid van het overwaarde-arrangement een voorbehoud te maken, mede gelet op het feit dat dit de eindgesprekken tussen partijen waren.14
Ook dit oordeel blijft in cassatie niet in stand. De Hoge Raad citeert de cruciale passage van het verslag van het curatorinterview, dat als volgt luidt:
“WJ [curator]: U heeft ook niet mis gegokt wat dat betreft.
[betrokkene 1] [Drieakker, toevoeging HB]: Dat weet ik nog niet.
WJ: Ik weet het ook niet zeker, maar volgens mij ziet het er goed uit.”
De Hoge Raad is vervolgens kort maar krachtig: volgens hem valt ‘zonder nadere motivering niet in te zien dat de curator met deze uitlatingen zijn recht heeft verwerkt, ook niet in het licht van het feit dat dit de eindgesprekken waren en evenmin in het licht van het feit dat de curator nadien bijna anderhalf jaar heeft laten verstrijken voordat hij alsnog zijn vernietigingsverklaringen uitbracht’.15
De Hoge Raad is hier in mijn ogen terecht streng. Het gespreksverslag is een erg dunne basis voor gerechtvaardigd vertrouwen dat de curator de rechtsgeldigheid van het overwaarde-arrangement nooit meer ter discussie zou stellen. Dit oordeel bevestigt dat de Hoge Raad de hoge drempel die geldt voor het aannemen van rechtsverwerking goed bewaakt. Dat geldt ook voor de andere twee hierboven genoemde arresten van de Hoge Raad over rechtsverwerking. Daaruit kan worden afgeleid dat alleen tijdsverloop daadwerkelijk onvoldoende is om rechtsverwerking aan te nemen. Zelfs waar de feitenrechter op zichzelf relevante bijkomende omstandigheden aan zijn rechtsverwerkingsoordeel ten grondslag legt, zoals in de hiervoor besproken gevallen, toetst de Hoge Raad de motivering daarvan redelijk indringend. Daarmee kan worden geconcludeerd dat de Hoge Raad de motivering van het rechtsverwerkingsoordeel van de lagere rechter vrij indringend toetst.16