Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/17.6.3.3
17.6.3.3 Schending niet-meewerkrecht
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS495788:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 8.1 hiervoor.
Zie § 9.3 hiervoor. Ik wijs hier ook op § 9.4.2.1. Daarin kwam ter sprake dat het EHRM in de gevoegde zaken Lückhof en Spanner directe dwang aanneemt in een geval waarin een van de klagers niet zelf met sancties was bedreigd, maar hem niettemin duidelijk moet zijn geweest dat het niet verstrekken van de gevorderde medewerking voor hem gevolgen zou hebben, zoals het opleggen van een geldboete. Zodoende moet worden aangenomen dat, als de inspecteur wijst op de sancties die zijn gesteld op art. 47 e.v. AWR, daarvan (directe) dwang op de betrokkene uitgaat.
Of dit onderscheid wel kan worden gemaakt, is onduidelijk. Zie § 7.4.3.2.2 hiervoor.
Niet duidelijk is of het Hof meer gewicht toekent aan de potentiële zelfbelasting die in een meewerkplicht besloten ligt of de daadwerkelijk van de klagers gevorderde medewerking. Zie § 9.4.3.2 hiervoor.
Zie uitgebreid hoofdstuk 11 hiervoor.
Zie § 11.3 hiervoor.
Zie § 12.3 e.v. hiervoor.
Wordt de ruime lezing van de zaken Funke, J.B. en Chambaz gevolgd en de toepasselijkheid van het niet-meewerkrecht op het voor raadpleging ter inzage geven van – al dan niet wilsafhankelijke – documenten aanvaard, dan is de (vervolg)vraag of het afdwingen van inzage door de inspecteur daadwerkelijk in strijd met dat recht kan komen. Deze vraag moet worden beantwoord aan de hand van de toetsingsfactoren voor schending, te weten de aard en mate van dwang, de procedurele waarborgen in de nationale procedure en het gebruik van de afgedwongen medewerking.1
Dwang als toetsingsfactor voor schending; ‘improper compulsion’
Gelet op de bevindingen in het Straatsburgse deel van deze studie moet worden aangenomen dat de sancties waarmee de niet-nakoming van de inzageplicht (en de inlichtingenplicht) worden bedreigd, op zichzelf zwaar genoeg zijn om de essentie van het recht tegen gedwongen zelfbelasting te ondermijnen (‘improper compulsion’).2 Naar mijn oordeel wordt dit niet anders doordat de sancties zijn gesteld op de niet-nakoming van een – in vergelijking met de inlichtingenplicht – in omvang minder ‘actieve’ verplichting. Daarvoor is de sanctiedreiging te zwaar en kent de ruim geformuleerde inzageplicht teveel actieve elementen. In Straatsburg lijkt de aard van een met sancties bedreigde meewerkplicht – actief of passief – veel minder zwaar te wegen dan de omvang ervan.3 Het is het Hof waarschijnlijk vooral te doen om de mate van zelfbelasting die in een meewerkplicht (niet zijnde een duldplicht) besloten ligt.4 De mate van zelfbelasting die in de inzageplicht besloten ligt, is niet wezenlijk anders dan geldt voor de inlichtingenplicht.
Procedurele waarborgen
Of een met sancties bedreigde (wettelijke) meewerkplicht in strijd komt met het niet-meewerkrecht, is bovendien afhankelijk van het bestaan van relevante waarborgen in de nationale procedure(s). Voor wat betreft de (verdedigings)waarborgen betreffende de inzageplicht, kan – los van bewijsuitsluiting – in ieder geval worden gewezen op de normering van de bevoegdheidsuitoefening ex art. 47 e.v. AWR door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, de algemene beginselen van behoorlijk procesrecht en het rechterlijk toezicht op de (punitieve) bewijsgaring door de inspecteur. Behoudens bewijsuitsluiting, is de compenserende werking van deze waarborgen situatieafhankelijk – en dus ook of in een concreet geval sprake is van ‘improper compulsion’.
Gebruik afgedwongen documenten
Voor de vaststelling of de inzageplicht in strijd komt met het niet-meewerkrecht, is ook van belang het gebruik(sdoel) van de afgedwongen medewerking.5 De rol die de onder dwang verkregen documenten spelen (of kunnen spelen) bij het opleggen van de boetebeschikking, is situatieafhankelijk. Hier is vooral van belang dat het Hof het punitief gebruik van documenten als steunbewijs, in het algemeen toelaatbaar zal oordelen. Het verzet zich vooral tegen het punitief gebruik van verklaringen en fysiek bewijs dat beslissend is voor een veroordeling.6
Invloed publieke belangen
Op de achtergrond speelt de vraag of, en zo ja in welke mate het belang van een effectieve handhaving van fiscale voorschriften – als publiek belang-argument – meeweegt bij de vaststelling of de fiscale inzageplicht een inbreuk op het niet-meewerkrecht zou rechtvaardigen. Dit belang lijkt in Straatsburg te weinig gewicht in de schaal te leggen om werkelijk verschil te maken.7