Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/4.3.2
4.3.2 Uitleg van regelgeving
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955536:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 10 april 1984, C-14/83, ECLI:EU:C:1984:153 (Von Colson & Kamann), rov. 15.
HvJ EG 1 april 2004, C-1/02, ECLI:EU:C:2004:202 (Borgmann), rov. 30; HvJ EG 4 februari 1988, C-157/86, ECLI:EU:C:1988:62 (Murphy e.a.); HvJ EG 16 juli 1998, C-264/96, ECLI:EU:C:1998:370 (ICI), rov. 31-35.
Asser/Hartkamp 3-I 2023, nr. 100.
HvJ EU 22 april 2022, C-401/19, ECLI:EU:C:2022:297 (Polen/Parlement & Raad), rov. 70. Zie ook Lenaerts & Gutiérrez-Fons, CML Rev. 2010, afl . 6, p. 1636.
HvJ EG 5 oktober 2004, C-397/01 t/m C-403/01, ECLI:EU:C:2004:584 (Pfeiffer), rov. 113.
HvJ EG 13 november 1990, C‑106/89, ECLI:EU:C:1990:395 (Marleasing), rov. 8.
HvJ EG 29 april 2004, C-371/02, ECLI:EU:C:2004:275 (Bjornekulla), rov. 13; HvJ EU 19 april 2016, C-441/14, ECLI:EU:C:2016:278 (Dansk Industri), rov. 33.
HvJ EU 24 januari 2012, C‑282/10, ECLI:EU:C:2012:33 (Dominguez), rov. 25.
Zie t.a.v. het intellectuele-eigendomsrecht o.m. ov. 32 Handvest; ov. 27 Merkenrichtlijn; ov. 31 Auteursrechtrichtlijn; ov. 6 en 70 DSM-richtlijn. Zie ook: HvJ EU 29 januari 2008, C-275/06, ECLI:EU:C:2008:54 (Promusicae); HvJ EU 24 november 2011, C-70/10, ECLI:EU:C:2011:771 (Scarlet Extended), HvJ EU 16 februari 2012, C-360/10, ECLI:EU:C:2012:85 (Netlog); HvJ EU 27 maart 2014, C-314/12, ECLI:EU:C:2014:192 (UPC Telekabel), rov. 46; HvJ EU 1 december 2011, C-145/10 (Painer); HvJ EU 21 oktober 2010, C-467/08 (Padawan); HvJ EU 3 september 2014, C-201/13 (Deckmyn).
HvJ EG 4 februari 1988, C-157/86, ECLI:EU:C:1988:62 (Murphy); HvJ EG 16 juli 1998, C-264/96, ECLI:EU:C:1998:370 (ICI), rov. 31-35; HvJ EG 29 januari 2008, C-275/06, ECLI:EU:C:2008:54 (Promusicae), rov. 68.
Verdragsconforme uitleg. Het effectiviteitsbeginsel verplicht de rechter om zijn nationale recht uit te leggen in overeenstemming met het toepasselijke Unierecht.1 Deze regel staat vooral bekend als de verplichting tot richtlijnconforme uitleg, maar is ook van toepassing op algemene beginselen (althans, voor zover de situatie binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt).2 Men spreekt dan ook wel van ‘verdragsconforme uitleg.’3 Het belang van dit onderscheid houdt verband met de normenhiërarchie die aan het Unierecht ten grondslag ligt. Hieruit volgt dat zowel het nationale recht als het secundaire Unierecht moet worden uitgelegd in overeenstemming met de betrokken algemene beginselen. Als uitgangspunt geldt dat een interpretatie in lijn met het primaire Unierecht altijd de voorkeur verdient boven een uitlegging die hiermee in strijd is.4
De verplichting tot conforme uitleg is ruim geformuleerd: de rechter moet al het mogelijke doen om het nationale recht uit te leggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de relevante bepaling van Unierecht, zodat het beoogde resultaat kan worden bereikt.5 Deze verplichting is van toepassing op het gehele nationale recht, ongeacht of dit van eerdere of latere datum is dan de betrokken regel van Unierecht.6 Indien nodig moet de rechter afwijken van vaste rechtspraak of de parlementaire geschiedenis.7 De verplichting tot conforme uitleg vindt haar grenzen in de algemene rechtsbeginselen, met name het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht, en biedt geen grondslag voor een contra legem uitleg van het nationale recht.8
Het evenredigheidsbeginsel speelt als uitleginstrument een belangrijke rol in de rechtspraak van het Hof van Justitie. In dit kader beperkt het Hof zich doorgaans tot een uitleg in overeenstemming met het beginsel in strikte zin.9 Een evenredige interpretatie veronderstelt dus in de eerste plaats een correct uitgevoerde belangenafweging. De concrete invulling van deze afweging wordt bepaald door de betrokken belangen en de toepasselijke normen en beginselen. Grondrechten spelen in deze afweging een belangrijke rol.10