Einde inhoudsopgave
Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen (VDHI nr. 147) 2018/8.6.4
8.6.4 Aspecten van kapitaalbescherming
mr. R.A.F. Timmermans, datum 01-10-2017
- Datum
01-10-2017
- Auteur
mr. R.A.F. Timmermans
- JCDI
JCDI:ADS350696:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Handboek 2013/333.2, Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa 2013/182 en Van Schilfgaarde/ Winter/Wezeman 2013/26. Anders Huizink, GS Rechtspersonen 2006, art. 2:80 BW, aant. 6. Twijfelachtig Asser/Maeijer/Kroeze 2-I* 2015/605. Vgl. Schutte-Veenstra, De curator en kapitaalvermindering, TvI 2003, p. 211, die van mening is dat het bepaalde in art. 2:216 lid 2 BW van toepassing dient te zijn op ofwel de omzetting van reserves in kapitaal, ofwel op de daaropvolgende kapitaalvermindering.
Handboek 2013/334 en Bier (diss.) 2003, p. 202, die stelt dat een uitkering uit de reserves altijd een tussentijdse uitkering is in de zin van art. 2:105 lid 4 BW. Anders Van Schilfgaarde/Winter/Wezeman 2013/26, die menen dat het vereiste van een tussentijdse vermogensopstelling niet van toepassing is op een uitkering van reserves. Vgl. Timmerman, Ondernemingsrecht 2004/27, die de uitgifte van bonusaandelen niet als een tussentijdse uitkering in de zin van art. 2:105 BW beschouwt en constateert dat het verstandig lijkt om een tussentijdse vermogensopstelling op te stellen.
Ten slotte nog iets over de formaliteiten rondom de uitgifte van de bonusprefs. Algemeen wordt aangenomen dat het eigen vermogen van de vennootschap groter moet zijn dan de som van het kapitaal en de reserves wil een uitgifte van bonusaandelen mogelijk zijn.1 Ik onderschrijf deze opvatting, zeker tegen de achtergrond van het kapitaalbeschermingsrecht. Toepassing van art. 2:105 lid 2 BW voorkomt dat de volstorting raakvlakken vertoont met het bepaalde in art. 2:98c BW. Het gevolg daarvan is wel dat indien op het moment van uitgifte blijkt dat niet aan dit vereiste wordt voldaan, de aandelen niet op de beoogde wijze kunnen worden volgestort. Het beschermingsinstrument zal daarmee aan effectiviteit inboeten. In het verlengde van deze opvatting wordt ook wel verdedigd dat in geval van een uitkering ten laste van de reserves waartoe op een andere vergadering dan de jaarvergadering wordt besloten, een tussentijdse vermogensopstelling opgesteld dient te worden. De ratio van art. 2:105 lid 4 BW zou zulks medebrengen.2 Passen we deze opvatting toe op de uitgifte van bonusprefs, dan kan zulks een probleem opleveren indien de vennootschap in een noodsituatie verkeert en snel beschermingsprefs wenst uit te geven. Het opstellen van een tussentijdse vermogensopstelling zal niet altijd een sinecure zijn.