Einde inhoudsopgave
De integratie van fiscale gegevens in het rijksbrede toezicht (FM nr. 155) 2018/5.7.3.3
5.7.3.3 Enkele bijzondere informanten
M. Snippe, datum 20-10-2018
- Datum
20-10-2018
- Auteur
M. Snippe
- JCDI
JCDI:ADS376481:1
- Vakgebied(en)
Privacy / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Hof ’s-Hertogenbosch 5 december 2002, LJN:AV4531, V-N 2003/9.4; en ook Nationale ombudsman 3 juni 2005, FutD 2005/1140. De staatssecretaris vindt het te ver voeren particulieren een administratieverplichting op te leggen. Het zou in brede kring worden ervaren als een ‘onaanvaardbare aantasting van de privacy’. Maar bovendien, zo meent hij, was ‘het nakomen van een dergelijke verplichting noch afdwingbaar noch controleerbaar’ (Kamerstukken II 1988/89, 21 287, B, p. 2; zie ook Kamerstukken II 1988/89, 21 287, nr. 3, p. 11 en Kamerstukken II 1990/91, 21 287, nr. 5, p. 9).
Hof Leeuwarden 29 november 2011, LJN:BU6834; zie ook Rb. Zeeland-West- Brabant 12 februari 2013, LJN:CA0562.
HR 10 februari 1988, LJN:ZC3761, BNB 1988/160.
Rb. Haarlem 5 april 2012, LJN:BW4871.
Kamerstukken II 23700, nr. 3, p. 141.
Rb. Rotterdam 7 augustus 2003, LJN:AI1062 (Texaco Nederland BV vs. NMa).
CBb 23 januari 2012, LJN:BV8376.
Zie bijvoorbeeld art. 53 (oud) Mw en art. 12iIw ACM. Jurisprudentie hieromtrent: CBb 21 december 2012, LJN:BY7031, JB 2013/41 en CBb 21 december 2012, LJN:BY7026, AB 2013/49; JOR 2013/48.
Wet van 25 juni 2014 tot wijziging van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt en enige andere wetten in verband met de stroomlijning van het door de Autoriteit Consument en Markt te houden markttoezicht, Stb. 2017, 247.
Kamerstukken II 2012/13, 33 622, nr. 3, p. 10-11; Kamerstukken II 2012/13, 33 622, nr. 7, p. 40-43.
R. de Bree, De ex-werknemer en het zwijgrecht: evoluerend mededingingsrecht?, Actualiteiten Mededingingsrecht 2010, p. 161.
Er moet dan wel sprake zijn van een criminal charge, zie CBb 14 april 2016, ECLI:NL:CBB:2016:114, JONDR2016/892; CBb 8 juli 2015, ECLI:NL:CBB:2015:191. Zie voor uitgebreide beschouwingen C.A. Wijsman, Nemo tenetur in belastingzaken (diss.), 2017.
Kamerstukken II 1995/96, 23 470, nr. 14, p. 1, Brief van de staatssecretaris van Financiën.
Aantekening V-N 1996/1509, 8, n.a.v. Brief van de staatssecretaris van Financiën 12 april 1996, nr. WDB96/125.
Persbericht ministerraad, 26 november 2004, met verwijzing naar de kamerbehandeling (Kamerstukken II 2004/05, 28 244, nr. 82).
Aanhangsel Handelingen II 2005/06, nr. 263, Brief aan de Tweede Kamer van 30 september 2005, nr. FM 2005-02449 U.
Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 141; Kamerstukken II 2003/04, 29 708, nr. 3, p. 41, 45-46.
De Tweede Kamer noemde als voorbeeld in dit verband de bescherming van de privacy of van bedrijfs- en fabricagegegevens. Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, p. 56–57. In het kader van de Wob oordeelt de ABRvS dat daarvan sprake is ‘indien en voor zover uit die gegevens wetenswaardigheden kunnen worden gelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces dan wel met betrekking tot de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers.’ABRvS 17 juli 2002, LJN:AE5445; zie ook nuancering Rb. Dordrecht 11 januari 2002, LJN:AD9759, Financiële gegevens kunnen daar ook onder vallen, met uitzondering van (financiële) gegevens waarvoor een wettelijke openbaarmakingsplicht geldt vanuit Boek 2 BW.
Voor de bijzondere positie van de medewerker van de Belastingdienst, par. 5.7.3.5.
Naast de specifieke geheimhoudingsbepaling in de AWR zijn er soortgelijke bepalingen opgenomen in o.a. de Wjsg (art. 52), de Wpg (art. 7), de Wft (art. 1:89e.v.), de Wcr (art. 5 lid 3), de Wet Bibob (art. 28) en de Wet SUWI (art. 74). Voor het ‘doorbreken’ van die geheimhoudingsbepalingen gelden veelal specifieke voorwaarden.
Hof Arnhem 5 juli 2011, LJN:BR1282; Hof Amsterdam 14 november 2013,ECLI:NL:GHAMS:2013:4482.
NRC, 15 oktober 2004, waarin het verstrekken van gegevens en inlichtingen door de Nma aan de Belastingdienst is bekritiseerd en aanleiding heeft gegeven tot Kamervragen (Kamerstukken II 2004/05, 28 244, nr. 82).
Binnen de kring van betrokkenen nemen enkele personen een bijzondere positie in als informant. Dat zijn de particulier, de ex-werknemer en de overheidsinstelling.
Medewerkingsverplichting voor particulieren en ex-werknemers
De inspecteur richt zich in het kader van een derdenonderzoek – in beginsel – niet tot particulieren. Voor hen geldt geen administratieplicht en zij hoeven derhalve niet aan een derdenonderzoek mee te werken.1 Hiertoe behoren ook de zogenaamde ex-werknemers aangezien zij, ten opzichte van hun ex-werkgever, als particulier zijn te beschouwen.
Indien de inspecteur particulieren – ondanks het ontbreken van de verplichting daartoe – toch vragen over derden wil stellen, dient hij duidelijk aan te geven dat zij niet tot antwoorden verplicht zijn. Hun medewerking is alleen op vrijwillige basis mogelijk.2 Hij moet, na het maken van een belangenafweging en evenredigheid, duidelijk aangeven dat zij niet verplicht zijn te antwoorden op zijn vragen (zorgvuldigheidsbeginsel).3 De rechtsregel die de Hoge Raad heeft geformuleerd omtrent het gebruik van onbevoegdelijk verkregen gegevens, staat een vrijwillige medewerking niet in de weg.4 De meningen zijn hier echter over verdeeld.5
Een toezichthouder kan, in tegenstelling tot de inspecteur, particulieren en medewerkers tot medewerking verplichten mits het noodzakelijk is.6 Bij het nalevingstoezicht van een onderneming hoeft de toezichthouder zich in zijn optreden immers niet te beperken tot de civielrechtelijke vertegenwoordigers.7 Hij mag natuurlijke personen benaderen zelfs als hij zich tevens – als alternatief – tot een rechtspersoon kan richten. Ook hier geldt dat het belang van een persoonlijke belasting moet opwegen tegen het belang van de taakvervulling door de toezichthouder.8 In navolging van de verplichting voor personeelsleden geldt deze ook onverkort voor ex-werknemers. Een zwijgrecht vanwege bijvoorbeeld loyaliteitsbedreiging, bestaat alleen indien en voorzover sprake is van een bijzonder wettelijke bepaling.9 Maar een dergelijk zwijgrecht geldt alleen voor personeelsleden.10
In de jurisprudentie komt duidelijk naar voren dat de medewerkingsverplichting in beginsel voor een ‘ieder’ geldt: ook voor personen, waaronder ex-werknemers (ex art. 5:20 Awb).11 De Bree geeft aan dat voor menig ex-werknemer die verantwoordelijkheid droeg waarop wordt toegezien, veelal een eigenstandig zwijgrecht toekomt uit hoofde van een (vermeend) feitelijk leidinggeverschap.12 Voor die medewerker kan dan het algemene zwijgrecht gelden in het kader van het nemo tenetur-beginsel.13
Waar het – desgevraagd – verstrekken van gegevens en inlichtingen door een natuurlijk persoon aan de inspecteur op vrijwilligheid berust, kan de toezichthouder dit vorderen.
Overheidsinstellingen
De inspecteur kan zich ook wenden tot overheidsinstellingen (art. 55 AWR). Die zijn verplicht tot het desgevraagd verstrekken van gegevens en inlichtingen. Het is een algemene verplichting waarvan de staatssecretaris van Financiën in zijn brief aan de Tweede Kamer als voorbeeld de politie(registers) noemt.14 Zeker ten aanzien van dergelijke registers is terughoudendheid van de inspecteur gepast.15
De eigen geheimhoudingsverplichting van een overheidsinstelling kan echter een belemmering vormen. Dan is overleg vereist en kan de minister besluiten tot een ontheffing (art. 55 lid 2 AWR). Een voorbeeld hiervan is de fel bekritiseerde verstrekking van Nma gegevens aan de Belastingdienst.16 Een ander voorbeeld is het verstrekken van gevraagde gegevens en inlichtingen door de AFM en DNB.17 Wenst de Belastingdienst op grond van bovenstaande bepalingen over te gaan tot het stellen van serievragen, dan moet dit eerst op centraal niveau worden afgestemd.18
In de Awb is geen uitdrukkelijke bevoegdheid opgenomen tot verplichte medewerking van overheidsinstanties. De wetgever acht het klaarblijkelijk niet noodzakelijk om bevoegdheden wettelijk op te nemen in de AWB. Daarvoor zijn specifieke wetten. De vraag is of, bij het ontbreken van bijzondere wetgeving, de algemene wettige bevoegdheden een grondslag bieden voor de verplichte medewerking.
Voor verplichte medewerking moet sprake zijn van (directe) betrokkenheid van de betreffende overheidsinstantie. Die is situatieafhankelijk en op grond van de noodzakelijkheidsvereiste is het aan de toezichthouder om dat te bepalen. Een betrokkenheid van de overheidsinstantie bij de ‘onder toezicht gestelde’ lijkt veelal niet voor de hand te liggen.
Bovendien speelt er ook nog de geheimhoudingsplicht. Zou het passeren van de grens van een wettelijke geheimhoudingsplicht niet te vergaande bevoegdheidsuitoefening zijn? Daar ligt de uiterste grens volgens de minister van Financiën.19 Het vraagt immers van de overheidsinstelling om haar geheimhoudingsplicht geweld aan te doen.
De algemene wettelijke geheimhoudingsverplichting geldt voorzover die persoon het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden (2:5 Awb).20 En voor de Belastingdienst geldt zijn eigen geheimhoudingsplicht (voor de heffing: ex art. 67 AWR).21 Daarnaast geldt voor ambtenaren de zeer algemeen luidende geheimhoudingsbepaling in het ARAR.22 En kunnen nog enkele zeer bijzondere geheimhoudingsbepalingen van toepassing zijn voor uitvoerende organen.23 Veelal kan en mag een overheidsinstelling alleen gegevens en inlichtingen verstrekken ingeval sprake is van een wettelijke verplichting dan wel dat uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit (art. 2:5 Awb).
Een algemene (wettige) bevoegdheid in de Awb zou wat dat betreft niet voldoen. Daarvoor is derhalve een bijzondere wetgeving noodzakelijk. Uit de jurisprudentie blijkt dat de bevoegdheid van de inspecteur wettelijk bepaald is (ex art. 55 AWR) en niet in strijd is met andere grondbeginselen.24 Voor de toezichthouder is dit nog maar de vraag. Het verstrekken van gegevens tussen overheidsinstellingen moet een wettelijke grondslag hebben.25 Ook het hebben van een convenant biedt niet altijd oplossingen.
Hier lijkt de bevoegdheid van de inspecteur verder te strekken dan die van de toezichthouder vanuit de Awb (en er zijn geen specifieke bepalingen daartoe opgenomen in bijzondere wetgeving). Temeer omdat naast deze ingrijpende bevoegdheid – zo deze voor de toezichthouder bestaat – ook voor de overheid nog sprake kan zijn van het recht op verschoning. Onderscheidt een ambtenaar zich in zijn geheimhoudingsplicht ten opzichte van professioneel verschoningsgerechtigden? Burgers en bedrijven die hun gegevens aan bestuursorganen hebben toevertrouwd, mogen er toch vanuit gaan dat zij die vertrouwelijk behandelen. Daarin lijkt mij geen verschil aanwezig met de hierna te behandelen algemene verschoningsgerechtigden (par. 5.7.3.4). Dit geldt des te meer wanneer het een belastingambtenaar betreft met een bijzondere geheimhoudingsplicht (par. 5.7.3.5).