Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/16.1.5
16.1.5 Praktische relevantie
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS300473:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Uit de wettelijke regeling volgt niet dat kwalitatieve rechten en rechten (hoofdstuk 15) die door partijen in hoedanigheid worden verleend (hoofdstuk 17) ook onder de nevenrechten worden begrepen, ook al worden dergelijke aanspraken in de literatuur vaak wel als nevenrechten bestempeld.
Parlementaire Geschiedenis Boek 6, p. 525.
Een uitzondering zijn bewijsstukken die de voormalig rechthebbende van de vordering heeft verkregen op basis van de door de overheid toebedeelde aanspraak; te denken valt aan bewijsstukken ten aanzien van voor de vordering gelegde beslagen.
741. Zoals hierboven uiteengezet is, is de in art. 6:142 BW opgenomen regeling voor nevenrechten gebruikt als een vergaarbak voor allerlei soorten rechten, die om allerlei redenen met een vorderingsrecht samenhangen. De toegevoegde waarde daarvan is mijns inziens tweevoudig.
742. Ten eerste stelt de regeling buiten twijfel dat een groot aantal aanspraken automatisch toekomt aan de verkrijger van de vordering waarmee zij verband houden. De rechtvaardiging voor deze automatische verkrijging is te vinden in het feit dat de betreffende aanspraken onderdeel uitmaken van het vorderingsrecht, door de overheid worden toegedeeld, of afhankelijke rechten zijn.1 Door al deze figuren onder de term ‘nevenrecht’ te vatten, is het niet noodzakelijk om voor elk recht te bepalen wat de precieze rechtvaardiging is voor het feit dat de verkrijger van de vordering ze kan uitoefenen. In plaats daarvan kan simpelweg gesteld worden dat het betreffende recht een nevenrecht is. De keerzijde hiervan is dat het begrip ‘nevenrecht’ zelf geen verklarende kracht heeft om te rechtvaardigen dat een specifiek recht toekomt aan de verkrijger van een vordering; daarvoor dient te rade te worden gegaan bij de figuur die deze verkrijging rechtvaardigt.
743. Ten tweede maakt het combineren van de verschillende rechtvaardigingsgronden voor het automatisch verkrijgen van rechten die bij een vordering horen het eenvoudiger om in één keer een aantal rechtsgevolgen gezamenlijk te regelen. Ik denk daarbij vooral aan de bepalingen 6:143 en 144 BW, die de verdere gevolgen regelen van het overgaan van de verschillende varianten van nevenrechten. Zo regelt art. 6:143 BW onder meer dat op de nevenrechten betrekking hebbende bewijsstukken dienen te worden afgegeven en regelt art. 6:144 BW wie in dient te staan voor de nakoming van de uit het nevenrecht voortvloeiende verplichtingen. Deze bepalingen zijn bij alle vormen van overgang van vorderingen van toepassing.2 Een vraag die daarbij speelt is of deze bepalingen op alle aanspraken die onder de noemer ‘nevenrechten’ vallen, van toepassing zijn. Voor de afhankelijke zekerheidsrechten lijkt dat zonder meer het geval te zijn; de aard van deze rechten verhoudt zich goed met hetgeen in art. 6:143 en 144 BW wordt geregeld. Daarnaast worden zij in art. 6:143 lid 3 en 4 BW met zoveel woorden genoemd. Voor bevoegdheden die tot de inhoud van een vordering behoren, hebben art. 6:143 en 144 BW daarentegen geen zelfstandige betekenis. Deze artikelen zijn namelijk – naast de met de vordering verbonden nevenrechten – ook direct van toepassing op de vordering zelf (zie lid 1 van beide artikelen). Toepassing van de genoemde artikelen op kwalitatieve rechten ligt deels wel en deels niet voor de hand. Zou men al van mening zijn dat deze rechten onder de verzamelterm ‘nevenrechten’ kunnen worden gebracht, dan lijkt het feit dat kwalitatieve rechten in art. 6:251 lid 2 BW een eigen regeling hebben voor hetgeen wordt geregeld in art. 6:144 BW zich tegen toepassing van dat laatste artikel te verzetten. Anderzijds kan het wel zinvol zijn als de verkrijger van een kwalitatief recht de bewijsstukken die met dat recht samenhangen verkrijgt waar art. 6:143 BW over spreekt. Zie hierover meer uitgebreid randnummer 849. Van aanspraken die door de overheid worden toebedeeld (en die niet tevens onderdeel van het vorderingsrecht zijn), zullen niet vaak bewijsstukken bestaan.3 Ook zal de overheid niet snel een
verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie opleggen. Toepassing van de artikelen 6:143 en 6:144 BW ligt daarom ook hier niet voor de hand. Hetzelfde geldt voor aanspraken die door partijen worden verleend in hoedanigheid; zij zullen daarvan zelf de gevolgen regelen, buiten de regeling van art. 6:143 en 144 BW om. Praktisch gesproken gelden deze artikelen daarom vooral voor de afhankelijke zekerheidsrechten en – ook al is er dan technisch gezien geen sprake van een nevenrecht – afspraken die de inhoud van het vorderingsrecht betreffen.