De aansprakelijkheid voor ongeschikte medische hulpzaken
Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid voor ongeschikte medische hulpzaken (R&P nr. CA19) 2018/4.2.4:4.2.4 Het Polyclens-arrest
De aansprakelijkheid voor ongeschikte medische hulpzaken (R&P nr. CA19) 2018/4.2.4
4.2.4 Het Polyclens-arrest
Documentgegevens:
mr. J.T. Hiemstra, datum 01-07-2018
- Datum
01-07-2018
- Auteur
mr. J.T. Hiemstra
- JCDI
JCDI:ADS368738:1
- Vakgebied(en)
Gezondheidsrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 13 december 1968, ECLI:NL:PHR:1968:AC3302, NJ 1969, 174, m.nt. G.J. Scholten (Polyclens).
Gerechtshof ’s-Gravenhage 15 december 1967.
Conclusie Van Oosten bij HR 13 december 1968, ECLI:NL:PHR:1968:AC3302, ECLI:NL:PHR:1968:AC3302, NJ 1969, 174.
HR 13 december 1968, ECLI:NL:PHR:1968:AC3302, NJ 1969, 174, m.nt. G.J. Scholten (Polyclens).
Idem.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het voor de ontwikkeling van het huidige artikel 6:77 BW belangrijke Polyclens-arrest kwam enkele maanden na het Vliegtuigvleugel-arrest nogmaals de vraag naar de aansprakelijkheid van de schuldenaar voor het gebruik van zaken aan de orde.1 Het ging in deze zaak om het volgende. Hessing had een overeenkomst gesloten met A.E.H. (een bedrijf dat aluminium verwerkte) die Hessing ertoe verplichte de vloer van de fabriekshal van A.E.H. te reinigen. Hiervoor heeft Hessing het schoonmaakmiddel Polyclens gebruikt. Door het gebruik van dit middel zijn de in de hal aanwezige aluminium goederen onherstelbaar beschadigd geraakt. Ter zake van deze beschadiging, heeft Hessing zijn aansprakelijkheid erkend. Hessing had het schoonmaakmiddel Polyclens gekocht van Cadix, die het middel niet zelf had geproduceerd en die bekend was met het feit dat Hessing het middel zou gebruiken bij de reiniging van een fabriekshal van een bedrijf dat aluminium verwerkt. Het middel was verkocht met garantie van volledige neutraliteit en onschadelijkheid. Hessing heeft zijn vordering op Cadix overgedragen aan A.E.H. In het kader van de aansprakelijkheid van Cadix diende de vraag beantwoord te worden of Hessing zich jegens A.E.H. op overmacht had kunnen beroepen ter ontheffing van zijn aansprakelijkheid uit hoofde van wanprestatie voor de gestelde schade aan de partijen aluminium.
Het Gerechtshof ’s-Gravenhage beantwoorde deze vraag ontkennend.2 Ten eerste omdat de tussen A.E.H. en Hessing gesloten overeenkomst om iets te doen, inhield dat Hessing de vloer diende schoon te maken en meebracht dat hij daarbij geen schade zou toebrengen aan de goederen van A.E.H. Daarbij nam het hof in aanmerking dat tussen A.E.H. en Hessing was besproken dat Hessing de hal zodanig diende schoon te maken dat geen schade zou ontstaan aan de goederen van Hessing. Ten tweede omdat Hessing het risico droeg van het materiaal dat hij gebruikte bij de uitvoering van de overeenkomst, aangezien Hessing, en niet A.E.H., het materiaal had uitgekozen.
Volgens A-G van Oosten konden deze omstandigheden – de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichting om geen schade toe te brengen en de keuze voor het materiaal – voldoende zijn om aan te nemen dat Hessing tegenover A.E.H. het risico droeg voor het gebruik van het schoonmaakmiddel bij de uitvoering van de overeenkomst en dat hij voor de schade aansprakelijk zou zijn.3
Ook de Hoge Raad oordeelde dat Hessing aansprakelijk was voor de schade van A.E.H. Deze schade is veroorzaakt door het gebruik van een door Hessing gekozen schoonmaakmiddel met eigenschappen die het middel voor het doel waarvoor Hessing het in dit geval gebruikte, in het algemeen ongeschikt maakten.4 Dit kwam voor rekening van Hessing omdat, ‘indien de aard van de overeenkomst, de verkeersopvattingen of de redelijkheid van een bepaald geval geen aanwijzing opleveren voor het tegendeel, als regel valt aan te nemen dat de schuldenaar van een resultaatsverbintenis er voor heeft in te staan dat het materiaal waarvan hij zich voor de uitvoering van zijn verbintenis bedient, in het algemeen de eigenschappen bezit die dit voor dit doel geschikt doen zijn’.5
De stelling dat de aansprakelijkheid van Hessing niet zou kunnen worden aangenomen vanwege de verhouding tussen de hoogte van de schade en de door Hessing ontvangen geringe tegenprestatie, wees de Hoge Raad van de hand. Voor deze stelling was aangevoerd dat de schade niet door een verzekering van Hessing was gedekt. Dit was volgens de Hoge Raad echter niet relevant omdat de schade voor Hessing was gedekt door een mogelijke regresvordering op Cadix, van wie hij het schoonmaakmiddel had gekocht en die de volledige neutraliteit en onschadelijkheid van het middel had gegarandeerd.