Einde inhoudsopgave
Overeenkomst tot arbitrage (BPP nr. 13) 2011/3.3.4.2
3.3.4.2 Onpartijdig en onafhankelijk gerecht
Mr. G.J. Meijer, datum 20-07-2011
- Datum
20-07-2011
- Auteur
Mr. G.J. Meijer
- JCDI
JCDI:ADS503486:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. LAWSON, blz. 162 inzake EHRM 25 februari 1992 (Pfeffer en Plankl/Oostenrij k), NJ 1994, 117, m.nt. EM.
Ik wijs op EHRM 24 mei 1989 (Hauschildt/Denemarken), NJ 1990, 627, § 48, m.nt. P. VAN Dux en op HR 18 februari 1994 (Nordstffim/Nigoco), NJ 1994, 765, m.nt. HJS, TvA 1994, blz. 187, m.nt. P. SANDERS.
Vgl. omtrent wraking en de toegepaste methode van benoeming van de arbiters G.7. WIARDA, in: Overheidsrechter gepasseerd, blz. 426 en SMITS, no. 6.12.
Vgl. ook P.7. BOON in zijn noot (sub 3) bij ECRM 27 november 1996 (Nordstffim/Nederland), NJ 1997, 505 die verdedigt dat het recht op een onafhankelijk en onpartijdig gerecht een zo essentieel deel van art. 6 EVRM vormt dat daarvan ook in een arbitraal geding geen afstand kan worden gedaan, doch dat de betekenis van de essentiële waarborg niet in elke context identiek behoeft te zijn.
Het recht op een onafhankelijk en onpartijdig gerecht wordt, naast het recht op een eerlijk proces, als één van de meest essentiële waarborgen van art. 6 EVRM aangemerkt. Verdedigd is daarom wel dat afstand daarvan, zo al mogelijk, niet licht mag worden aangenomen.1
Indien in de zaak Nordstram/Nederland de schijn van onafhankelijkheid en onpartijdigheid als maatstaf was aangelegd (zoals volgens de Europese jurisprudentie bij de wraking van de gewone rechter en volgens de nationale jurisprudentie bij de wraking van arbiters tijdens het arbitraal geding), dan moest het arbitraal vonnis hoogstwaarschijnlijk worden vernietigd.2
Bedacht zij nog dat het in de zaak Nordstreln/Nederland niet eens een zogenaamde "partijarbitrage" betrof (waarbij één van de arbiters door de ene partij en één van de arbiters door de andere partij is voorgedragen en/of benoemd), doch dat partijen de arbiters (krachtens een overeengekomen benoemingsmethode) gezamenlijk hebben benoemd. Ik merk op dat het arbitraal vonnis ook bij de laatstgenoemde benoemingsmethode, als de norm van schijn van onafhankelijkheid en onpartijdigheid was aangelegd, vrijwel zeker kon worden vernietigd.3
De Hoge Raad heeft volgens de Europese Commissie bij de vernietiging van een arbitraal vonnis een strenger maatstaf mogen aanleggen dan de genoemde schijn van onafhankelijkheid en onpartijdigheid. De maatstaf die volgens de jurisprudentie ingevolge art. 6 EVRM voor de gewone rechter moet worden aangelegd geldt niet onverkort bij de vernietiging van een arbitraal vonnis.4
De zaak Suovaniemi/Finland laat zien dat partijen met een overeenkomst tot arbitrage, waarmee zij afstand doen van het recht op toegang, niet tevens afstand doen van het recht op een onpartijdig gerecht. Wel kan een partij tijdens het arbitraal geding afstand doen van het recht op onpartijdigheid, mits aan de voorwaarden daartoe is voldaan. Is aan de genoemde voorwaarden voldaan en wordt niettemin op grond van onpartijdigheid een vordering tot vernietiging ingesteld, dan handelt de vernietigingsrechter niet in strijd met art. 6 EVRM als hij de vordering afwijst. Zie voorts 3.3.2.