Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/2.3.f
2.3.f Afsluiting
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS609509:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Köhne 2000, p. 189.
Stamhuis 2002, p. 281.
Kamerstukken II 2005/06, 30320, nr. 3, p. 24, zie ook p. 20.
Handelingen I 1993/94, 13-589 (Holdijk, SGP, Wetsvoorstel voltooiing eerste fase herziening rechterlijk organisatie, Kamerstukken 22495).
Handelingen I 1993/94, 16-792 (Minister Hirsch Ballin, Wetsvoorstel wijziging Vreemdelingen wet, Kamerstukken 22735);
Kamerstukken II 2001/02, 26352, nr. 61, p. 5 (Brief minister Contourennota herziening rechterlijke organisatie); zie ook Corstens 2008, p. 773; Ilsink 2002; vgl. de noot van De Boer onder EHRM 8 april 2004, NJ 2005/186 (Haasse/Duitsland)
Mout 1984, p. 787; Van Koppen 1990, p. 20-21; Marseille, De Graaf & Smit 2008, par. 3; Deconinck & Taelman 2012, p. 40-41; Kamerstukken II 1999/2000, 26732, nr. 7, p. 70 (Vreemdelingenwet 2000)
Uit de aangehaalde bronnen wordt dat niet voldoende duidelijk.
Zie hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4.
Het woord verlofstelsel is een containerbegrip. Beslist de rechter in een verlofstelsel over de vraag of een beroep in behandeling wordt genomen, of het (inhoudelijk) wordt beoordeeld, of op het beroep een inhoudelijke beslissing wordt gegeven, dan wel of toegang tot beroep kan worden verkregen? En beslist de beroepsrechter daarover op basis van enige verlofmaatstaf, bepaalt hij in vrijheid of behandeling etc. plaatsvindt, of wordt een verlofstelsel vooral gekenmerkt door afgescheiden en voorafgaande beslissing over de behandeling etc. van het beroep? De in de literatuur en parlementaire stukken gebruikte definities van het begrip verlofstelsel geven op deze vragen geen eenduidig antwoord.
De onduidelijkheid over de betekenis van ‘verlofstelsel’ stelt de tot nu toe gevoerde discussie over de wenselijkheid en toelaatbaarheid van verlofstelsels in een ongunstig licht. Algemeen bekend is de ervaring na een lang gesprek tot de conclusie te komen niet over hetzelfde te spreken (waarna men het soms met elkaar eens blijkt te zijn). Gelet daarop kunnen discussies over de wenselijkheid en de toelaatbaarheid van een verlofstelsel in strafzaken volgens mij niet echt zinvol worden gevoerd zolang het centrale begrip in nevelen is gehuld.
Enkele voorbeelden kunnen dit punt verduidelijken. Als door een verlofstelsel de controle van de gang van zaken in een concrete zaak “onherroepelijk op de achtergrond”1 raakt, dan wordt daarmee kennelijk een ander verlofstelsel bedoeld dan het selectiestelsel van artikel 80a RO, waarover in de parlementaire toelichting is verzekerd dat daarmee “uitdrukkelijk geen wijziging in de taak van de Hoge Raad [wordt] beoogd”2 en het “verdwijnen van rechtsbescherming niet aan de orde is”.3 En als Köhne de procedurele splitsing tussen verlofbeoordeling en inhoudelijke behandeling van het beroep “gunstig”4 noemt, dan heeft hij daarbij een ander verlofstelsel voor ogen dan de onderzoekers van Strafvordering 2001, die een dergelijke fasering “nodeloos gecompliceerd” achten.5 Exemplarisch is ook de inconsistentie in de toelichting van de wetgever op het als verlofstelsel aangeduide artikel 410a Sv. Enerzijds merkt de minister op dat “de toetsing door de voorzitter […] de noodzaak [betreft] van een volledige behandeling in hoger beroep, niet een voorlopig oordeel over de juistheid van het vonnis in eerste aanleg”.6 Elders geeft hij echter aan dat verlof verleend zal worden “omdat het vonnis bij hernieuwde behandeling niet in stand zal kunnen blijven op grond van twijfel aan de bewezenverklaring, de gepastheid van de strafmaat of de deugdelijke toepassing van recht”, waarin klaarblijkelijk anticipatie op de gegrondheid van het beroep besloten ligt.7 En als een verlofstelsel krachtig wordt afgewezen als een “geforceerde constructie”8 en een “wezensvreemd element”9 in de Nederlandse rechterlijke organisatie, maar tegelijkertijd in het kader van de werklast van de Hoge Raad “onontkoombaar”10 wordt geacht, terwijl anderen de capaciteitswinst van een verlofstelsel op voorhand betwijfelen,11 dan denken de schrijvers vermoedelijk niet aan hetzelfde verlofstelsel.12
Ook voor de vraag naar de toelaatbaarheid van verlofstelsels is het voorgaande van belang. Als het EHRM en het Comité voor de Rechten van de Mens in beginsel vrede hebben met een systeem van leave to appeal,13 dan roept dat na drie veroordelingen van Nederland voor toepassing van artikel 410a Sv indringend de vraag op wat voor verlofstelsel zij bedoelen – als beide toezichthouders al hetzelfde bedoelen.