Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/7.5.5.3
7.5.5.3 Omstandigheden van de verkoop
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258475:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 1, lid 2, onderdeel a, CVA.
Punt 2 van de Aantekening bij artikel 1, lid 2, CVA.
WCO Guide to Customs Valuation and Transfer Pricing (24 juni 2015, geüpdatet in 2018), p. 9-10.
Ik kom hierop nog nader terug in onderdeel 10.7.4.
Case Study 10.1. Application of Article 1.2. (Adopted, 3rd Session, 4 October 1996, 40.710). Onderdeel 10.4.1.4.
Zie in het bijzonder Commentary 23.1, Case Studies 10.1, 14.1 en 14.2 en WCO Guide to Customs Valuation and Transfer Pricing (24 juni 2015, geüpdatet in 2018). De instrumenten worden in meer detail besproken in onderdeel 10.4.2.
Indien partijen in douanerechtelijke zin zijn verbonden, betekent dit niet dat de transactiewaarde van de ingevoerde goederen per definitie niet aanvaard kan worden.1 Wel hebben de douaneautoriteiten de bevoegdheid om, indien zij twijfels hebben over of de verbondenheid van partijen invloed heeft gehad op de aangegeven prijs, aanvullende informatie op te vragen bij de aangever. Dit verzoek zullen zij echter achterwege moeten laten indien zij geen twijfels hebben over de aangegeven prijs. Twijfels zouden in beginsel niet moeten bestaan indien douaneautoriteiten de verbondenheid eerder hebben onderzocht of indien zij reeds over gedetailleerde gegevens betreffende (de relatie tussen) de koper en verkoper beschikken en daaruit geconcludeerd hebben dat de verbondenheid geen invloed heeft gehad op de tussen partijen afgesproken prijs.2
Indien douaneautoriteiten echter twijfels hebben over de aangegeven prijs, verzoekt zij de aangever dus om aanvullende informatie over de omstandigheden van de verkoop aan te leveren. Belangrijk is dat met deze informatie wordt aangetoond dat een prijs is overeengekomen die ook zou zijn vastgesteld indien de verkoper en koper niet verbonden waren. Uit punt 3 van de Aantekening bij artikel 1, lid 2, CVA volgt dat uit deze informatie moet blijken:
Op welke wijze de koper en de verkoper hun handelsbetrekkingen georganiseerd hebben; en
Op welke wijze de desbetreffende prijs tot stand is gekomen.
Uit dezelfde aantekening kunnen de volgende vragen gedestilleerd worden die, mits zij bevestigend worden beantwoord, aantonen dat geen sprake is van prijsbeïnvloeding:3
Is de prijs volgens de normale prijsstellingsmethoden van de betrokken bedrijfstak tot stand is gekomen?
Is de prijs tot stand gekomen volgens de methode die de verkoper voor het vaststellen van zijn prijzen ten aanzien van niet met hem verbonden verkoper hanteert?
Kan worden aangetoond dat de prijs kostendekkend is en een winstmarge omvat die representatief is voor de globale winstmarge van de betrokken onderneming over een representatieve periode (bijvoorbeeld op jaarbasis) bij de verkoop van goederen van dezelfde categorie of soort?
In dit laatste geval is gelet op Aantekening bij artikel 1, lid 2, CVA dus ook geen sprake van prijsbeïnvloeding. Dit doet de vraag opkomen of een verrekenprijs die prospectief wordt aangepast om te voorkomen dat aan het einde van het jaar een retroactieve verrekenprijsaanpassing moet plaatsvinden, kan dienen als basis voor de vaststelling van de transactiewaarde van de ingevoerde goederen, zelfs in de gevallen dat de prijs op een zeker moment hoger of lager wordt vastgesteld dan niet verbonden partijen overeen zouden komen. Hierbij kan het voorbeeld worden gegeven dat een prijs in kwartaal 1 wordt vastgesteld op 120 EUR, in kwartaal 2 op 70 EUR, in kwartaal 3 op 110 EUR en in kwartaal 4 op 100 EUR. Indien een niet-verbonden partij gemiddeld gezien een prijs van 100 EUR zou hebben betaald, komt de vraag op of de transactiewaarde in de kwartalen één tot en met vier aanvaard kan worden als respectievelijk de waardes 120 EUR, 70 EUR, 110 EUR en 100 EUR gehanteerd worden. Vraag 3 uit de Aantekening bij artikel 1, lid 2, CVA lijkt een opening te laten om prospectief aangepaste prijzen te hanteren, zolang de prijs over een representatieve periode bezien kostendekkend is en een winstmarge omvat die representatief is voor de globale winstmarge. De feiten en omstandigheden uit mijn voorbeeld zouden hieronder kunnen worden geschaard.4
De aangever slaagt in ieder geval in zijn bewijsplicht als hij aantoont dat de aangegeven prijs de testwaarden zeer dicht benaderd (onderdeel 7.5.5.4). Indien de testwaarden niet beschikbaar zijn, zal op basis van andere informatie aangetoond moeten worden dat de prijs niet door de verbondenheid van partijen is beïnvloed. Case Study 10.1 van de Technische commissie douanewaarde van de WDO illustreert op welke wijze een onderzoek naar de omstandigheden gelet op voornoemde punten vormgegeven kan worden:5
XCO, gevestigd in land X, is een fabrikant en distribiteur van de ingrediënten A en B. Zij is verbonden door een 22%-aandelenbelang met ICO, gevestigd in land I. Ingrediënt A wordt door XCO gefabriceerd en verkocht aan niet-verbonden afnemers en ICO. Ingrediënt B wordt ingekocht van derdepartijen en vervolgens exclusief doorverkocht aan ICO. Ingrediënt A wordt aan de niet-verbonden afnemers afgezet tegen een waarde van 100 en aan ICO verkocht voor 92. De douaneautoriteiten in land I starten een onderzoek, omdat zij twijfels hebben over de prijs die XCO rekent voor de verkoop van ingrediënt A. Ten aanzien van de verkoop van ingrediënt B stellen zij vast dat de prijs die aan ICO wordt berekend, voldoende is om de kosten van XCO, inclusief de aankoopkosten en kosten met betrekking tot het herpakken, overslag- en vrachtkosten, te dekken met inbegrip van een representatieve winstmarge. De Technische commissie douanewaarde van de WDO deelt de mening van de douaneautoriteiten in land I met betrekking tot de prijsstelling van ingrediënt B.
Figuur 7.2 – Feitencomplex Case Study 10.1 van de Technische commissie douanewaarde van de WDO.
De douaneautoriteiten hebben ICO (en op verzoek van ICO ook XCO) verzocht informatie aan te leveren over waarom de verkoopprijs 92 bedraagt bij verkopen aan ICO en 100 bij verkopen aan niet-verbonden afnemers. Naar aanleiding van dit verzoek is geen additionele informatie aangeleverd door ICO of XCO. De Technische commissie douanewaarde is derhalve van mening dat sprake is van prijsbeïnvloeding voor wat betreft de verkopen van ingrediënt A aan ICO wat met zich brengt dat de transactiewaarde moet worden verworpen en de douanewaarde overeenkomstig een alternatieve waarderingsmethode moet worden vastgesteld. Aangezien ingrediënt A ook wordt verkocht aan niet-verbonden afnemers, kan de douanewaarde mogelijk op basis van de transactiewaarde van identieke of soortgelijke goederen worden vastgesteld.
In beginsel ben ik van mening dat de Technische commissie douanewaarde van de WDO hier tot een juiste conclusie komt op basis van het gepresenteerde feitencomplex. Niettemin zou ik mij kunnen voorstellen dat er goede gronden waren voor XCO om een lagere prijs te rekenen. Hierbij kan gedacht worden aan kwantiteitsverschillen, het gebruik van goedkopere vervoersmodaliteiten en het achterwege laten van het gebruik van een verkoopagent. Een en ander zou naar mijn mening tot de conclusie moeten leiden dat op dat moment sprake is van een geoorloofd prijsverschil. Met andere woorden, het prijsverschil zou niet worden aangemerkt als prijsbeïnvloeding door de verbondenheid en de transactiewaarde van de ingevoerde goederen had derhalve gewoon toegepast kunnen worden om de douanewaarde te bepalen. Zodoende kan deze Case Study niet één-op-één als blauwdruk dienen voor soortgelijke gevallen en kan een prijsverschil van 8% naar mijn opvatting niet dienen als standaard benchmark. Dat laatste wordt overigens ook erkend door de Technische commissie douanewaarde van de WDO zelf.
Uit Commentary 23.1 van de Technische commissie douanewaarde van de WDO en de Guide to Customs Valuation and Transfer Pricing kan voorts worden afgeleid welke elementen ingebed moeten zijn in de documentatie die ten behoeve van het onderzoek naar de omstandigheden van de verkoop wordt opgemaakt en op verzoek wordt overgelegd aan de douaneautoriteiten dan wel de eigen administratie wordt opgenomen ter ondersteuning van de gehanteerde prijzen (‘defense file’).6 Het gaat daarbij om gegevens over de volgende elementen:
Het (fiscaal) operationele model;
Een beschrijving van de transacties;
Toelichting op de opbouw van de gehanteerde prijzen (prijsbeleid);
Beschrijving van de bedrijfstak waarin de onderneming actief is en de daarin geldende standaarden;
Lokale analyse op basis van lokaal geldend beleid en jurisprudentie.
Voornoemde uiteenzetting over het onderzoek naar de omstandigheden van de verkoop, roept de vraag op of verrekenprijsdocumentatie kan worden overgelegd om aan te tonen dat de prijs niet door de verbondenheid is beïnvloed. In verrekenprijsdocumentatie wordt namelijk, weliswaar voor winstbelastingdoeleinden, verslag gelegd over op welke wijze de interne verrekenprijzen zakelijk tot stand komen. De Technische commissie douanewaarde van de WDO geeft in Commentary 23.1 aan dat verrekenprijsdocumentatie in dit kader nuttig kan zijn, maar dat naar de omstandigheden van het geval moet worden beoordeeld of verrekenprijsdocumentatie voor dit doel kan worden ingezet. In hoofdstuk 10 wordt nader op dit vraagstuk ingegaan.
Tot slot merk ik op dat wanneer de twijfels bij de douaneautoriteiten niet worden weggenomen na overlegging van de additionele informatie, de douaneautoriteiten alsnog kunnen besluiten om de transactiewaarde van de ingevoerde goederen te verwerpen en de douanewaarde overeenkomstig een alternatieve waarderingsmethode vast te stellen.