Einde inhoudsopgave
De positie van aandeelhouders in beursvennootschappen (IVOR nr. 103) 2017/2.3.1
2.3.1 Grote N.V.’s en ‘besloten’ N.V.’s
F.G.K. Overkleeft, datum 28-05-2017
- Datum
28-05-2017
- Auteur
F.G.K. Overkleeft
- JCDI
JCDI:ADS390595:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie De Jongh 2012, in het bijzonder p. 22-25.
M.J. Denijs, Het stemrecht in de Naamlooze Vennootschap naar Nederlandsch Recht, diss. Rotterdam 1936, Amsterdam: H.J. Paris 1936.
Ibid, p. 1-2 (“Het zal ook duidelijk zijn, dat er zich gevallen kunnen voordoen, waarbij die macht der aandeelhouders [om rechtstreekse macht uit te oefenen op de gang van zaken in de N.V.] wordt beknot en in verband hiermede zullen reeds aanstonds verschillende problemen op den voorgrond treden (…).”
Ibid, p. 69-89.
Ibid p. 105-123. Zie voor de juridische uiteenzetting p. 108, noot 2 (doorlopend tot p. 111).
Ibid, p. 114-116.
Ibid, p. 61-63.
Ibid, p. 107-108.
W.C.L. van der Grinten, ‘Is het wenselijk voor de zogenaamde besloten naamloze vennootschap in de civielrechtelijke wetgeving bijzondere voorzieningen te treffen, al dan niet met invoering van een afzonderlijke rechtsvorm?’, preadvies Nederlandse Juristen Vereniging, Zwolle: Tjeenk Willink 1953, p. 45.
Ibid, p. 47-50.
Ibid, p. 46.
Jb. Zeylemaker Jzn., ‘Verleden, heden en toekomst van de Naamloze Vennootschap,RM Themis 1945/46, p. 581-665, in het bijzonder op p. 641-651.
Ibid, p. 602.
Ibid. p. 600.
Ibid, p. 606-607.
Ibid, p. 657. Overigens bepleitte Zeylemaker een overkoepelende oplossing waarbij de activiteiten van grote ondernemingen in een geleide planeconomie van overheidswege aangestuurd zouden worden teneinde de algemene belangen te doen waarborgen. Zie ibid, p. 658-662.
Met de wettelijke regeling in het WvK 1929 lag het fundament voor de verdere (rechts)ontwikkeling van de N.V. vast. De vraag is in hoeverre de toenmalige N.V.’s, althans de grote publieke N.V.’s met een daadwerkelijk verspreid aandelenkapitaal, ooit volledig hebben beantwoord aan het conceptuele beeld van de N.V. als verbijzonderde maatschapsvorm van Van der Heijden. Met name bij de normatieve opvatting dat de hoogste macht binnen de N.V. bij de gezamenlijke aandeelhouders berust vielen vanuit de praktijk de nodige feitelijke kanttekeningen te plaatsen. Reeds voor de codificatie in het WvK 1929 was het voor grote publieke N.V.’s waarvan de aandelen ter beurze werden verhandeld staande praktijk om bepaalde oligarchische regelingen in de statuten op te nemen waarmee de doorslaggevende zeggenschap in de AVA de facto bij anderen kwam te liggen dan de aandeelhouders die in een AVA de meerderheid van het kapitaal van de N.V. vertegenwoordigen.1 Deze doorslaggevende zeggenschap kon op grond van statutaire regelingen toekomen aan een groep minderheidsaandeelhouders, al dan niet via rechten verbonden aan preferente aandelen, of zelfs in zekere mate aan het bestuur zelf zoals in het geval van bepaalde regelingen met betrekking tot bindende voordrachten voor bestuurdersbenoemingen. Deze realiteit was in zoverre ook in de codificatie in het WvK 1929 erkend in de zin dat bepaalde oligarchische regelingen en andere instrumenten waarmee zeggenschap kon worden beperkt expliciet bij wet waren toegelaten, zoals regelingen van degressief stemrecht (artikel 44b WvK) en bindende voordrachtsregelingen (artikel 48a WvK). Doordat dergelijke regelingen in de praktijk vaak werden toegepast – of reeds voor de codificatie in de statuten van de betreffende N.V.’s waren opgenomen – verwijderde de uitvoeringspraktijk zich op deze punten van het wettelijke uitgangspunt van de N.V. als samenwerkingsvorm voor gelijkwaardige vennoten.
Illustratief voor deze verwijdering is de dissertatie van Denijs uit 1936.2 Het verschijnsel van oligarchische clausules en afwijkende zeggenschapsverhoudingen binnen het aandeelhoudersbestand vanwege bijvoorbeeld de aanwezigheid van een klasse preferente aandelen of stapelconstructies was voor Denijs een rechtstreekse aanleiding voor een uitgebreide beschou wing over het stemrecht van aandeelhouders waarbij ook de als gevolg van het gebruik van oligarchische regelingen in de praktijk ontstane vraagstukken werden belicht.3 Hij nam hierbij de bedrijfseconomische praktijk van de toenmalige Nederlandse beursvennootschappen als vertrekpunt. In deze constellatie rezen volgens Denijs geheel nieuwe vragen die bij ‘reguliere’ N.V.’s niet aan de orde waren. Zo wijdde Denijs een aparte analyse aan het fenomeen van bescherming van minderheidsaandeelhouders.4 Ook gaf hij een uiteenzetting van de wijzen waarop N.V.’s oligarchische stemrechtbeperkingen konden inzetten in verband met “wering van vreemden invloed”, dat wil zeggen invloed door buitenlandse kapitaaldeelneming in Nederlandse N.V.’s.5, compleet met een analyse over wanneer een aandeelhouder feitelijk ‘overwegende invloed’ in een beursgenoteerde N.V. zou verkrijgen.6 Tot slot wijdde Denijs enkele – thans nog modern aandoende – beschouwingen aan onderwerpen zoals speculatiesyndicaten7 en ‘creeping acquisitions’.8 Deze verhandelingen maken duidelijk dat de leefomgeving van de publieke N.V. een wezenlijk andere was dan die van de niet-beurs genoteerde N.V..
De ‘disconnect’ tussen theorie en praktijk met betrekking tot de interne verhoudingen binnen publieke N.V.’s ten opzichte van de wettelijke regeling in het WvK 1929 kan deels worden verklaard aan de hand van de ontwikkeling in het gebruik van de rechtsvorm van de N.V. door ‘besloten vennootschappen’. De besloten vennootschap was (toen nog) geen wettelijk begrip, maar zij werd door Van der Grinten globaal omschreven als “de N.V. die voor de voorziening in haar kapitaalbehoefte geen beroep doet op het beleggend publiek.”9 Volgens Van der Grinten betrof het overgrote deel van de N.V.’s in feite besloten vennootschappen, slechts een zeer gering aantal N.V.’s was echt publiek. De groei van het aantal besloten N.V.’s was volgens Van der Grinten onder meer toe te schrijven aan fiscale ontwikkelingen en de eigenschap van rechtspersoonlijkheid die de N.V. ook voor het midden- en kleinbedrijf tot de gewenste ondernemingsvorm maakten ten faveure van de voor de hand liggende rechtsvormen als de maatschap en de vof.10 Meer in het algemeen stelde Van der Grinten over besloten vennootschappen het volgende: “De maatschappelijke realiteit wordt niet weergegeven, als men de N.V. aanduidt als rechtsvorm voor de grote onderneming, die voor haar kapitaalbehoeften een beroep moet doen op het beleggend publiek. De N.V. is in ons land geworden tot de rechtsvorm ook van de middelgrote en kleine onderneming, die met familiekapitaal wordt gedreven.”11
Bovenvermeld citaat raakte precies aan een toenmalige richtingenstrijd in de wetenschap en praktijk over de vraag voor welke ondernemingen de rechtsvorm van de N.V. was bedoeld. Zeylemaker had juist betoogd dat het drijven van een besloten vennootschap in een N.V. neerkwam op oneigenlijk gebruik van de rechtsvorm.12 In zijn visie was de N.V. juist ontwikkeld als vehikel voor het ‘grootbedrijf’: “De aandelenmaatschappij, zoals die zich historisch heeft ontwikkeld, is een onderneming, die wordt gedreven door een groep van ondernemers, die zich de plaatsen in bestuur en commissariaat voorbehouden, en een groep van beleggers, die het geld fourneren in de hoop van de kundigheid en het geluk van de ondernemingsgroep te kunnen profiteren.”13 Volgens Zeylemaker markeerden de codificaties van 1838 en 1929 een discontinuïteit ten opzichte van het verleden in de zin dat onder de regeling in het WvK de zienswijze dominant raakte dat de N.V. “een vereniging van aandeelhouders is, die hun gemeenschappelijke zaak laten besturen en beheren door hun lasthebbers, de bestuurders.”14 Zeylemaker hekelde het feit dat onder het WvK het conceptuele primaat binnen de N.V. aan de aandeelhouders toekwam, terwijl aandeelhouders in publieke N.V.’s in zijn visie niet zozeer als samenwerkende vennoten, maar slechts als beleggers kwalificeerden. Omdat deze beleggers zich wel van hun vennootschapsrechtelijke bevoegdheden onder het WvK konden bedienen teneinde een oneigenlijke macht over de onderneming naar zich toe te trekken door een meerderheid in de AVA te verwerven, was het volgens Zeylemaker voor de ‘ondernemersgroep’ noodzakelijk om zich tegen deze invloed vanuit aandeelhouders te weren met middelen zoals oligarchische clausules, stemrechtbeperkingen en aangepaste vennootschapsconstructies.15
In de visie van Zeylemaker was de praktijk voor publieke N.V.’s dus afgedreven van het juridisch kader van de regeling in het WvK 1929 omdat deze wettelijke regeling de aard en bijzondere omstandigheden van de publieke N.V. miskende en als gevolg hiervan slecht hierop aansloot. Zeylemaker bepleitte daarom een kentering in juridisch inzicht in de zin dat de gedachte dat de gezamenlijke aandeelhouders als zijnde ‘mede-eigenaren’ de hoogste macht binnen de N.V. zouden vormen plaats diende te maken voor de erkenning van een positie van het bestuur als ‘trustee’ “welke de mogelijkheden voor de aandeelhouders terugdringt tot een optreden, wanneer hun belegging bedreigd wordt.”16