Medezeggenschap en de spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht
Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/5.8.1.3:5.8.1.3 Welke rechter, welke vordering?
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/5.8.1.3
5.8.1.3 Welke rechter, welke vordering?
Documentgegevens:
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS485011:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Pres. Rb. Haarlem, 15 december 1989, KG 1990, 58.
Ktr. Apeldoorn, 29 juni 2008, JOR 2008/226 m.nt. Verburg, JAR 2008/172 en ROR 2008, nr. 16 (COR/Wegener). De centrale ondernemingsraad had dit kort geding aanhangig gemaakt, vooruitlopend op de uitkomst van een bodemprocedure, waarin de raad zou vorderen dat de kantonrechter het ontslag van de twee bestuurders ongedaan zal maken.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat ondernemingsraden en hun advocaten, maar ook rechters niet altijd even scherp voor ogen staat welke rechter bevoegd is kennis te nemen van welke vordering(en). Zo veroordeelt de president van de rechtbank Haarlem de ondernemer in kort geding het besluit tot ontslag van de directeur, tevens bestuurder in de zin van de WOR, in te trekken.1 De dragende motivering is dat de kantonrechter het bestuur van de ondernemer met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de verplichting zal opleggen het ontslag ongedaan te maken. In een andere zaak wijst de kantonrechter Apeldoorn in kort geding de vordering van de centrale ondernemingsraad van Koninklijke Wegener NV, strekkende tot schorsing van het besluit tot benoeming van twee leden van de Raad van Bestuur, af, nu niet waarschijnlijk is te achten dat de gewraakte benoemingen in een bodemprocedure door de kantonrechter zullen worden teruggedraaid.2
Wat in beide uitspraken opvalt, is dat de voorzieningenrechter zich uitlaat in bewoordingen die de indruk wekken dat de kantonrechter in een procedure ex art. 36 WOR bevoegd zou zijn de ondernemer te verplichten het ontslag ongedaan te maken. Dit ongedaan maken zou blijkens het vonnis van de President Amsterdam vorm moeten krijgen in het opleggen van een verplichting het besluit in te trekken, de kantonrechter Apeldoorn spreekt zelfs van vernietigbare benoemingen. Uit het voorgaande blijkt dat de kantonrechter een dergelijke bevoegdheid niet heeft, ook niet op grond van art. 36 lid 7 WOR. Gaat het om intrekking van een besluit, dan is slechts de Ondernemingskamer bevoegd de ondernemer daartoe te verplichten (art. 26 lid 5 WOR), betreft het vernietiging van een besluit, dan is dat slechts de rechtbank (art. 2:15 lid 3 BW). Welke mogelijkheden de wet de rechter in de bodemprocedure biedt, acht ik van belang voor de beoordeling van de bevoegdheid van de rechter tot het treffen van voorlopige voorzieningen in kort geding. Zo is de kantonrechter op grond van art. 254 lid 4 Rv slechts bevoegd in kort geding kennis te nemen van zaken die ingevolge art. 93 Rv tot zijn competentie behoren. Nu daartoe noch het opleggen van een verplichting een besluit in te trekken noch die tot vernietiging van een besluit behoort, was de kantonrechter Apeldoorn in het zojuist gegeven voorbeeld niet bevoegd als kort geding rechter kennis te nemen van de vordering die de centrale ondernemingsraad aan hem voorlegde. De president van de Rechtbank Haarlem was dat op zich wel, zij het dat hij met de veroordeling van de ondernemer het besluit in te trekken miskend heeft welke vordering de ondernemingsraad in de bodemprocedure zou kunnen instellen. Hij had de ondernemer kunnen veroordelen het besluit, in afwachting van een uitspraak in de bodemprocedure, op te schorten.