Bundeling van omgevingsrecht
Einde inhoudsopgave
Bundeling van omgevingsrecht (R&P nr. SB5) 2012/3.6.2:3.6.2 Gericht op permanente verandering
Bundeling van omgevingsrecht (R&P nr. SB5) 2012/3.6.2
3.6.2 Gericht op permanente verandering
Documentgegevens:
Mr. J.H.G. van den Broek, datum 01-12-2012
- Datum
01-12-2012
- Auteur
Mr. J.H.G. van den Broek
- JCDI
JCDI:ADS358577:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht (V)
Milieurecht (V)
Omgevingsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Molenaars, Interview 2012, bijl. 5.6, par. 6.1.
De Vos, Interview 2012, bijl. 5.7, par. 6.1.
Noll, Gesetzgebungslehre 1973, p. 216.
Noll, Gesetzgebungslehre 1973, p. 217.
Zie onder meer par. 3.2.5.1.
Noll, Gesetzgebungslehre 1973, p. 218.
Van den Berg, De paradox van de codificatie 2002.
Zie par. 3.2.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het komt mij voor dat de wetgever met bundeling niet moet streven naar een wetssystematiek die de pretentie heeft het omgevingsrecht voor eens en altijd te codificeren. De reden daarvoor is, dat de wetgever in het verleden niet alle denkbare situaties heeft kunnen of willen regelen, en dat de kans groot is dat zulks zich in de toekomst ook voor zal doen. Zulks temeer daar de maatschappelijke ontwikkelingen elkaar steeds sneller opvolgen, ook waar het de belangen van de fysieke leefomgeving betreft. Bij het vorm geven van de Omgevingswet wordt volgens Molenaars en De Vos rekening gehouden met deze onvoorspelbaarheden. Molenaars merkt op dat de Omgevingswet bij voorkeur decennia mee moet kunnen. "Dat betekent dat er een voldoende robuust maar ook flexibel wetssysteem moet worden ontworpen met een instrumentarium dat daarop is berekend."1De Vos geeft aan dat het "de kunst is om flexibiliteit in te bouwen in het systeem, aangezien je weet dat er zich situaties gaan voordoen die je niet kunt voorspellen."2
Het doel van bundeling moet daarom niet zijn te komen tot een wetssystematiek van gelijke orde als ten grondslag lag aan het Burgerlijk Wetboek of het Wetboek van Strafrecht, die wetboek heten omdat zij de bedoeling hadden al het bestaande recht op die rechtsgebieden vast te leggen. Bundeling zou daarentegen moeten leiden tot een opschoning van het omgevingsrecht in de vorm van een op permanente verandering of ontwikkeling toegesneden wetssystematiek, waarin nieuwe omgevingsregels van nationale of Europese oorsprong een plaats kunnen krijgen zonder nieuwe wetssystematische tekorten te veroorzaken.
In dezelfde zin noem ik Noll, die in 1973 reeds schreef: 'Um sich mit der Arbeit des Kodifizierens Verdienste zu erwerben, kann sich heute der Gesetzgeber nicht mehr damit begnügen, die alten Kodifikationen durch thematisch in derselben Weise umgrenzte neue Kodifikationen zu ersetzen, also beispielsweise ein neues Strafgesetzbuch, ein neues BGB, ein neues HGB zu schaffen.'3 Volgens Noll kon de burger, wenn er das Gesetzbuch' las, erkennen, was Rechtens war, und sicher sein, daB keine Vorschriften auBerhalb des Gesetzbuches bestanden, die dessen Regeln durchbra-chen.'4 In feite komt dat overeen met mijn betoog dat gebruikers van een wetssysteem daarin alle regels moet aantreffen die nodig zijn om zijn rechten en verplichtingen te kunnen kennen.5 Maar het doel van een opschoning van het recht muß eine Gesamtkodifikation der Rechtsordnung sein, die allerdings nicht in der gröBten aller bisherigen Monumentalkodi-fikationen gipfeln darf, sondern vielmehr die ... Form einer systematischen, auf permanenten Anderung angelegten Gesamtdarstellung des geltenden gesetzten Rechts annehmen sollte.'6
Interessant in dit verband is hetgeen Van den Berg schrijft dat voorstanders van codificatie fixatie van het recht als een voordeel zien, omdat volgens hen daarmee de houdbaarheid van het recht en dus de kenbaarheid en de rechtszekerheid gewaarborgd wordt. Tegenstanders van codificatie vrezen juist dat het recht als gevolg van de fixatie geen gelijke tred zal houden met de maatschappelijke ontwikkelingen, waarmee de maatschappij wordt opgescheept met verouderd recht dat over de datum' is (par. 1). Van den Berg komt tot de conclusie dat voor- en tegenstanders ongelijk hadden. De codificaties waren volgens hem niet gericht op fixatie van het recht en hebben die ook niet tot stand gebracht. Men liet noodgedwongen, omdat anders over veel kwesties moeizame compromissen gesloten zouden moeten worden, de concrete oplossing eenvoudig in het midden. De rechter die opereert in een dergelijk rechtsstelsel is weliswaar formeel gebonden aan de wet, maar krijgt omdat de wetsbepaling abstract is geformuleerd toch veel ruimte ten opzichte van de wet. De formele binding aan de wet zorgt er tegelijkertijd voor, dat de rechter zich niet strikt gebonden acht aan de eigen uitspraken. Een en ander heeft anders dan de intuïtie doet vermoeden tot gevolg, dat het recht in de gecodificeerde stelsels flexibel en dus niet erg houdbaar is. In ieder geval is het meer flexibel en dus minder houdbaar dan het niet-gecodificeerde Engelse recht. Er kan worden gesproken van de paradox van de codificatie (par. 5).'7
Ten slotte merk ik op dat de eis dat het omgevingsrecht moet zijn gericht op permanente verandering mijns inziens ook met zich brengt, dat de wetgever er reeds thans over moet nadenken dat bundeling leidt tot wetssystemen die in de nabije of verre toekomst zo eenvoudig mogelijk kunnen worden gebruikt als basis voor een iLawsysteem.8