Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/3.4.1
3.4.1 Inleiding
J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS367563:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie HvJ EG 10 april 1984, ECLI:EU:C:1984:153 (Von Colson en Kamann); HvJ EG 13 november 1990, ECLI:EU:C:1990:395 (Marleasing) en, meer recent, HvJ EG 4 juli 2006, ECLI:EU:C:2006:443 (Adeneler) en HvJ EG 5 oktober 2004, ECLI:EU:C:2004:584 (Pfeiffer).
HvJ EG 4 juli 2006, C-212/04, Jur. 2006, p. I-06057 (Adeneler), r.o. 115.
Zie Betlem 2007, p. 100 en Prechal 2005, p. 190 e.v.
Aldus reeds HvJ EG 10 april 1984, ECLI:EU:C:1984:153 (Von Colson en Kamann). Zie ook Wissink 2014, p. 127 en 131.
Zie voor andere begrenzingen, zoals het verbod op terugwerkende kracht en interpretatie contralegem, Prechal 2005, p. 200-215 en Wissink 2001, p. 198-207.
De rechter is gehouden het nationale recht zoveel mogelijk conform de Overnamerichtlijn uit te leggen.1 De verplichting tot richtlijnconforme interpretatie geldt vanaf het verstrijken van de implementatietermijn2 en blijft gelden zolang de desbetreffende richtlijn van kracht is.3 Zij geldt ook als de richtlijnbepaling in kwestie geen directe werking heeft (§ 3.5.2).4 Toch geldt de verplichting tot richtlijnconforme interpretatie niet onbeperkt.5 Zij wordt in de eerste plaats afgebakend door de reikwijdte van de richtlijn (§ 3.4.2). In de tweede plaats vindt zij haar grens in de rechtszekerheid, hetgeen met name bij de acting in concert-regels van belang is (§ 3.4.3).