Einde inhoudsopgave
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/6.2
6.2 Methode
S. Said, datum 13-12-2021
- Datum
13-12-2021
- Auteur
S. Said
- JCDI
JCDI:ADS583414:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Dit onderzoek bevat enkel uitspraken die na Groen/Schoevers zijn gewezen. Hoewel is getracht om zo veel mogelijk relevante rechtspraak te verzamelen, kan volledigheid niet worden gegarandeerd. De geanalyseerde rechtspraak is verzameld via rechtspraak.nl, Navigator, LegalIntelligence en Rechtsorde. Daarbij is gebruik gemaakt van (een combinatie van) de volgende zoektermen: ‘arbeidsovereenkomst’, ‘arbeid’, ‘loon’, ‘gezag’, ‘(artikel 7:)610’, ‘(artikel 7A:)1637a BW’, ‘opdrachtovereenkomst’, ‘overeenkomst van opdracht’, ‘(artikel 7:)400’, ‘overeenkomst tot het verrichten van enkele diensten’, ‘overeenkomst van aanneming van werk’, ‘(artikel 7:)750’, ‘(artikel 7A:)1637b BW’, ‘(artikel 7A:)1639 BW’, ‘gekwalificeerd’, ‘kwalificeert’, ‘kwalificatie’, ‘aangemerkt’. Vervolgens is per categorie (zie hierna onder 6.4) een selectie gemaakt van relevante zoektermen, ontleend aan de wet(sgeschiedenis), literatuur en oudere rechtspraak.
Dit betekent ook dat sommige uitspraken in eerste aanleg niet zijn behandeld, ook wanneer de uitspraak in hoger beroep werd bevestigd, of wanneer de kwalificatievraag in hoger beroep niet langer ter discussie stond. De achterliggende reden hiervoor is dat in sommige hoger beroep uitspraken gedeeltelijk op de kwalificatievraag werd ingegaan, zonder dat duidelijk was welke onderdelen van de uitspraak in eerste aanleg al dan niet in stand bleven. Om ‘vervuiling’ te voorkomen is besloten om hier een, weliswaar rigoureuze, maar wel heldere keuze te maken. Tussenuitspraken zijn overigens wel meegenomen in de analyse, maar zijn niet als afzonderlijke uitspraken meegeteld.
Uitspraken waarin in dergelijke ‘driehoeksgeschillen’ wel inhoudelijk aan art. 7:610 BW werd getoetst, zijn wel in dit onderzoek meegenomen.
Voor het uitsluiten van deze categorieën wordt ook steun gevonden in het arrest ABN/Malhi, waarin de Hoge Raad overweegt dat toepassing van het toetsingskader uit Groen/Schoevers op zijn plaats is in situaties waarin het gaat om de vraag hoe een overeenkomst strekkende tot het verrichten van arbeid moet worden gekwalificeerd. De Hoge Raad overweegt in ABN/Malhi vervolgens: ‘Het gaat in deze zaak echter niet om die vraag of de daarmee verwante vraag of, en zo ja vanaf wanneer, moet worden aangenomen dat een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen indien iemand zonder duidelijke afspraken daarover werkzaamheden voor een ander is gaan verrichten. Uitgangspunt is hier dat [verweerder] met zijn werkzaamheden bij de bank is begonnen krachtens zijn arbeidsovereenkomst met [A] en de door de Rechtbank als inleenovereenkomst aangemerkte overeenkomst tussen [A] en de bank met betrekking tot [verweerder].’, zie: HR 5 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8186, tevens JAR 2002/100 m.nt. Beltzer (r.o. 3.4).
In totaal 52 uitspraken, waarvan 37 uitspraken gewezen in eerste aanleg en 15 in hoger beroep.
Gepubliceerd op rechtspraak.nl dan wel raadpleegbaar via LegalIntelligence, Kluwer Navigator, of Rechtsorde. 40 van de 242 uitspraken zijn uitsluitend gepubliceerd in jurisprudentiebladen, en zijn dus niet raadpleegbaar via rechtspraak.nl.
Het op www.rechtspraak.nl gepubliceerde Besluit selectiecriteria uitsprakendatabank (https://www.rechtspraak.nl/Uitspraken-en-nieuws/Uitspraken/Paginas/Selectiecriteria.aspx) biedt slechts in beperkte mate inzicht in de wijze waarop uitspraken al dan niet worden geselecteerd voor publicatie. Verder komen zaken die (al dan niet ter zitting) worden geschikt in beginsel niet voor publicatie in aanmerking. Zie over de hier besproken ‘selection effects’ tevens: Vols & Jacobs 2017, p. 89-104.
Voor dit rechtspraakonderzoek zijn in totaal 242 uitspraken verzameld.1 Gezien het doel en de reikwijdte van dit onderzoek zijn bepaalde categorieën 610-uitspraken buiten de selectie gehouden. Zo zijn in dit onderzoek uitsluitend uitspraken betrokken waarin het onderscheid tussen de (privaatrechtelijke) arbeidsovereenkomst ex artikel 7:610 BW enerzijds, en (een) andere overeenkomst(en) op basis waarvan arbeid kan worden verricht anderzijds centraal stond. Dit betekent onder meer dat zuivere (oud) BBA-geschillen (waarin het dus niet ging om werknemerschap in de zin van artikel 7:610 BW), en bevoegdheidsgeschillen (waarin dus geen inhoudelijk oordeel over artikel 7:610 werd gegeven), buiten de selectie zijn gehouden. Uitspraken die geen eindbeslissing over de kwalificatievraag bevatten zijn eveneens buiten beschouwing gelaten. Verder is steeds uitsluitend de uitspraak van de hoogste instantie meegenomen in het onderzoek.2
Uitspraken waarin het uitsluitend ging om de vraag of een (arbeids)overeenkomst tot stand was gekomen – en waarin dus niet werd toegekomen aan een inhoudelijke waardering van de elementen van artikel 7:610 BW – zijn buiten beschouwing gelaten. Ook uitspraken waarin het geschil zich toespitste op het vaststellen van het type arbeidsovereenkomst (oproepovereenkomst, uitzendovereenkomst, etc.), zijn niet meegenomen in de selectie: dit onderzoek richt zich immers op het onderscheid tussen beschermde en onbeschermde arbeid, en niet zozeer op de verschillende gradaties van bescherming onder beschermde werkenden. Discussies over de vraag of sprake was van een voorovereenkomst of oproepovereenkomst zijn eveneens buiten de selectie gehouden. Hoewel het in die gevallen weliswaar ging om de vraag of al dan niet sprake was van een arbeidsovereenkomst, stond veelal wel vast dat de voorovereenkomst zich richtte op het (op enig moment) doen ontstaan van een arbeidsovereenkomst. Dergelijke discussies spelen zich af in de precontractuele fase, een onderwerp dat buiten de reikwijdte van dit onderzoek valt.
Ook geschillen over de vraag met welke partij een arbeidsovereenkomst bestond zijn buiten de selectie gehouden. Hier wordt met name gedoeld op discussies over werkgeverschap in het kader van uitzend- en payrollconstructies. Hoewel rechters in dergelijke geschillen (ook) aan artikel 7:610 BW plegen te toetsen, spitst het geschil zich in die gevallen veelal toe op de vraag of sprake is van een uitzendovereenkomst in de zin van artikel 7:690 BW of een payrollovereenkomst in de zin van artikel 7:692 BW, wederom thema’s die buiten de reikwijdte van dit onderzoek vallen.3 Vanuit soortgelijke overwegingen zijn ook geschillen over werkgeverschap na overgang van onderneming buiten dit onderzoek gehouden: ook hier gaat het immers niet om de vraag of er sprake van een arbeidsovereenkomst is (geweest), maar om de vraag met welke partij die arbeidsovereenkomst bestaat of heeft bestaan.4
Voorts wordt opgemerkt dat het onderzoek tevens uitspraken in kortgedingprocedures bevat.5 Hoewel deze uitspraken op gelijke wijze zijn meegenomen in de jurisprudentieanalyse, wordt opgemerkt dat deze niet geheel op één lijn zijn te stellen met uitspraken in bodemprocedures. Zo leent niet ieder geschil zich voor beslechting in een kortgedingprocedure: de eisende partij is enkel ontvankelijk indien sprake is van een spoedeisend belang, en daarnaast kunnen in kort geding enkel voorlopige voorzieningen worden toegewezen. Toewijzing van een verklaring voor recht is in kortgedingprocedures bijvoorbeeld niet mogelijk. De voorzieningenrechter is bovendien niet gebonden aan de regels van het reguliere bewijsrecht, hetgeen van invloed kan zijn op de mate van bewijslevering en (daarmee) op de inhoud en uitvoerigheid van de uitspraak.
De verzamelde rechtspraak ziet op de periode tussen 14 november 1997 (Groen/Schoevers) en 6 november 2020 (X/Gemeente Amsterdam). In deze periode gold (enkel) het arrest Groen/Schoevers als standaardarrest bij de beantwoording van de kwalificatievraag, zodat de in die periode verzamelde rechtspraak op uniforme wijze kon worden geanalyseerd. In uitspraken gewezen na 6 november 2020 konden rechters rekening houden met hetgeen de Hoge Raad in X/Gemeente Amsterdam heeft overwogen omtrent het toetsingskader, zodat het meenemen van die rechtspraak tot ‘vertroebeling’ van de hierna gepresenteerde resultaten zou hebben geleid. Het rechtspraakonderzoek dat aan bod zal komen in paragrafen 6.3 en 6.4 is dan ook afgerond op 6 november 2020. De lagere rechtspraak van na die datum wordt als gezegd afzonderlijk behandeld in paragraaf 6.5. Het feit dat voor dit onderzoek uitsluitend gepubliceerderechtspraak is geraadpleegd, noopt tot enige voorzichtigheid bij het trekken van conclusies van algemene aard op basis van dit onderzoek.6 Zo is niet inzichtelijk in hoeverre de gepubliceerde rechtspraak een representatieve afspiegeling vormt van alle gewezen uitspraken inzake de kwalificatie van de arbeidsrelatie.7 Daar komt bij dat de hier besproken materie casuïstisch van aard is, en dat de inhoud van de uitspraken (en dus ook de mate waarin de beginselen partijautonomie en ongelijkheidscompensatie daarin terugkomen) voornamelijk afhankelijk is van hetgeen partijen in de procedure aanvoeren.
Tot slot nog een opmerking over het doel en toegevoegde waarde van het rechtspraakonderzoek dat in paragraaf 6.4 aan bod zal komen, in het licht van X/Gemeente Amsterdam. In dit arrest – dat verscheen in de afrondende fase van dit (rechtspraak)onderzoek – is nader inzicht geboden in de beoordelingswijze bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst, zodat een deel van de hierna te bespreken resultaten daarmee in zekere zin ‘achterhaald’ is. Met name het onderzoek naar (de betekenis van) de partijbedoeling als uiting van de partijautonomie is door het arrest X/Gemeente Amsterdam in een ander daglicht komen te staan. Niettemin is ervoor gekozen deze onderdelen voor dit onderzoek te behouden (en op onderdelen uit te breiden), nu hieruit inzichten kunnen worden ontleend die in het bredere debat rondom de kwalificatievraag nog altijd relevant zijn. Zo kan hieruit onder meer worden afgeleid in welke mate Groen/Schoevers voorheen daadwerkelijk onjuist is toegepast, en kunnen aan de hand daarvan (voorzichtige) voorspellingen worden gedaan over het effect van X/Gemeente Amsterdam op de toekomstige rechtspraak over de kwalificatievraag ex artikel 7:610 BW.