Biases in de boardroom en de raadkamer
Einde inhoudsopgave
Biases in de boardroom en de raadkamer (VDHI nr. 160) 2020/7.7.4:7.7.4 Methodologische reflectie: impact en relevantie van het empirisch onderzoek
Biases in de boardroom en de raadkamer (VDHI nr. 160) 2020/7.7.4
7.7.4 Methodologische reflectie: impact en relevantie van het empirisch onderzoek
Documentgegevens:
mr. drs. C.F. Perquin-Deelen, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. drs. C.F. Perquin-Deelen
- JCDI
JCDI:ADS111365:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 1.4.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het kader van dit proefschrift heb ik een omvangrijk aantal interviews afgenomen (par. 1.4). In het kader van methodologische (zelf)reflectie is het interessant te bezien wat de interviews hebben bijgedragen aan het analysekader en aan de beantwoording van de centrale onderzoeksvraag van deze dissertatie.
De interviews hebben een grote bijdrage geleverd aan het beeld van de juridische praktijk van de beoordeling van de bestuurlijke taakuitoefening vanuit het perspectief van groep 1, groep 2 en groep 3. Met name zeer waardevol was het perspectief van groep 1 op de feitelijke bestuurlijke taakuitoefening. De input van groep 1 op het onderdeel diversiteit was daarbij niet te verwaarlozen. Dit gold eveneens voor de input van groep 1 op het vlak van de taakuitoefening als orgaan, de samenwerking tussen de individuele leden, de rol van de voorzitter, openheid ofwel de boardroom dynamics. Dit vormde de context voor zowel hoofdstuk 2 als hoofdstuk 3, als onderdelen van hoofdstuk 6.
Graag had ik gezien dat groep 3 meer respondenten had omvat. Dit had het mogelijk gemaakt meer uitspraken te kunnen doen over de invloed van biases in de raadkamer en dit (nog meer) te kunnen verwerken in hoofdstuk 4 en 5. In een ideaal scenario had ik dan – in samenwerking met psychologen en/of gedragswetenschappers – verschillende experimenten kunnen uitvoeren met raadsheren om de invloed van biases te testen. Ik noem hierbij bijvoorbeeld het afnemen van implicit association-testen. Ook had ik aanwezig kunnen zijn bij het raadkameren om zo een observatie te kunnen doen van de feitelijke gang van zaken binnen de raadkamer. Met de beperkte omvang van groep 3 waren dergelijke experimenten nu niet mogelijk, niet haalbaar dan wel empirisch minder van waarde voor mijn onderzoek. Groep 3 bleek helaas lastiger te bereiken dan groep 1 en groep 2. Mijn aanvraag bleef vaak ‘hangen’ bij de administratieve afdelingen van rechtbanken.
Ik deed een interessante observatie na afronding van het empirisch onderzoek, maar deze observatie is niet verwerkt in de inhoud van deze dissertatie omdat ik hiervoor helaas nog onvoldoende aanknopingspunten had. De observatie is dat een discrepantie lijkt te bestaan tussen bepaalde antwoorden van bestuurders en commissarissen enerzijds (groep 1) en advocaten (groep 2) anderzijds. Zo waren er verschillende opvattingen over taakverdeling, de mate van intern toezicht tussen de bestuurders, de ‘angst’ van bestuurders en commissarissen en de mening over de rechterlijke oordeelsvorming in met name bestuurdersaansprakelijkheidszaken. In deze dissertatie kon ik dit onderzoeksresultaat niet kwijt en voor beter empirisch verantwoorde uitspraken is bovendien nader onderzoek vereist. Hier ga ik dan ook graag verder mee aan de slag. Dit onderzoek kan bijvoorbeeld interessant zijn voor de advisering van advocaten richting bestuurders-cliënten. Het onderzoek zou hiaten in de kennis bij de verschillende groepen kunnen tonen en zou de rechterlijke macht inzicht kunnen bieden in de mate van aansluiting bij en bekendheid met de rechterlijke oordeelsvorming inzake de bestuurlijke taakuitoefening.
Een vraag die bij mij opkwam na het afronden van het onderzoek voor deze dissertatie was of het beter was geweest te werken met een gestructureerde vragenlijst in plaats van de licht gestructureerde methode die ik heb gebruikt.1 Dan waren de groepen bij ieder antwoord immers groter geweest. Toch denk ik dat dit niet beter was geweest. Juist de lichte gestructureerdheid maakte dat de respondenten konden uitweiden over onderwerpen die voor hen relevant waren. Daar waar respondenten bijvoorbeeld geen affiniteit hadden met het onderwerp, kreeg ik ook geen uitgebreide dan wel heldere antwoorden. Bovendien, als groepsgrootte en algemene uitspraken het doel waren geweest, was een kwantitatief onderzoek met behulp van (digitale) vragenlijsten een betere aanpak geweest. Dat was nu niet het doel, maar zal wellicht wel een van mijn doelen voor toekomstig onderzoek op het vlak van boardroom en raadkamer dynamics en diversiteit worden.
Kort en goed heeft het empirisch onderzoek in belangrijke mate bijgedragen aan de totstandkoming van deze dissertatie. Deze bijdrage had nog groter kunnen zijn als ik aan het begin van mijn onderzoek direct was gestart met het empirisch onderzoek en daarna de publicaties hadden gevolgd. Helaas is dit niet gebeurd. Bovendien zou het afnemen van de interviews met een meer beperkte kennis van het vakgebied een lastige zaak geweest zijn.