Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/5.2.4
5.2.4 Wanneer is dwingend recht vereist voor maximalisering van maatschappelijke welvaart? Zoektocht naar een maatstaf
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS580278:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Timmerman (2004a), p. 1630.
Dit houdt in, zoals ook in de Inleiding op deze studie kort is genoemd, dat de economische bestaansredenen en vormgeving van regelgeving wordt onderzocht. Kernvraag in die analyse is of de regelgeving zijn doel bereikt en of dat op (kosten)efficiënte wijze gebeurd. Aan de rechtseconomische analyse van het (vennootschaps)recht zijn zowel voor- als nadelen verbonden. Ik bespreek deze in hoofdstuk 8.
Aldus Timmerman (2004a), p. 1630. Zie ook zijn kritiek dat deze benadering (te) eenzijdig gericht is op, het beoordelen op basis van, efficiëntie-overwegingen, in Timmerman (2004b), op p. 6-7. Aan rechtseconomische analyses kleefde inderdaad — en kleeft deels nog steeds — dit gebrek. Zie hierover ook Van Bijnen (2005), p. 21 e.v. Ik bespreek dit verder in hoofdstuk 8.
Timmerman (2004b), p. 6. Nog afgezien van vraag wat moet worden verstaan onder 'andere kleuren op een palet met een veelheid van gezichtspunten', roept dit de vraag op aan de hand van welke criteria — anders dan een rechtseconomische analyse — dan de (in)efficiëntie van een regel (en de vervanging daarvan door een efficiëntere) moet worden beoordeeld.
Dit geldt ook voor de opvatting van Lennarts (2006), p. 27, dat '[e]fficiëntie (...) geen doel op zich [mag] zijn, er is ook nog zoiets als rechtvaardigheid.'
Hetgeen Timmerman (2004b), p. 14-15, lijkt voor te stellen.
Ook Timmerman zelf ziet — vgl. Timmerman (2004b), p. 12 — ruimte om binnen dwingende regels een zekere mate van flexibiliteit in te bouwen.
Vgl. de discussie tussen Blanco Femández (2009), p. 22-23 en Timmerman (2009), p. 24-25. Of overigens wel gesproken kan worden van belangenpluralisme of dat sprake is van belangendualisme, is een eveneens in de literatuur te vinden kanttekening (vgl. Tervoort (2005), p. 343, voetnoot 64)
Zie bijvb. Van Schilfgaarde (2006a), p. 12. Hij noemt dat (ook) bij beursvennootschappen het belang van aandeelhouders een grotere rol krijgt. Van Ginneken (2006b) spreekt — in het kader van (vijandige) overnames — op p. 532 over 'de in Nederland te ontwaren trend dat het uitgangspunt van het belangenpluralisme onder druk staat' en, op p. 533, dat 'het belangenpluralisme een gecompliceerd fenomeen blijft.'
Om eenzelfde reden vind ik nietszeggend de opmerking van de Minister van Justitie dat 'morele en ethische waarden van belang zijn' in het proces van afweging van belangen dat moet leiden tot normen in het ondernemingsrecht. Zie voor die opmerking p. 1 van de (tweede) voortgangsmededeling over de modernisering van het ondernemingsrecht (Kamerstukken II, 2007/2008, 29 752, nr. 5). Aan welke morele en ethische waarden moet worden gedacht? En hoe verhoudt zich dit tot de doelstelling(en) van het vennootschapsrecht? Ook Timmerman (2004a), p. 1630, wijst op de 'ethische grondslag' van het recht en lijkt daarmee (vgl. Timmerman (2006b), p. 14-15) met name te doelen op behartiging (in het vennootschapsrecht) van belangenpluralisme.
Het opleggen van bepalingen van dwingend recht is naar mijn mening dus gerechtvaardigd indien dat bijdraagt aan de maximalisering van de maatschappelijke welvaart. Dat leidt echter tot de, niet eenvoudig te beantwoorden, vraag wanneer daarvan sprake is. Wanneer is, met andere woorden, het opleggen van dwingend recht noodzakelijk om het "waarborgelement" van het vennootschapsrecht te (kunnen) bereiken?
Het lastige hierbij is dat het "waarborgelement", ten minste gedeeltelijk, lijkt te zien op realisering van immateriële waarden. Timmerman spreekt in dat verband over de "rechtvaardigheids- en ethische aspecten".1 Of aan realisatie van deze aspecten wordt bijgedragen door de in het (vennootschaps)recht opgenomen voorschriften is niet eenvoudig te beoordelen omdat weinig geschikte meetinstrumenten voorhanden zijn om die beoordeling te maken. Weliswaar is een — maar let wel; niet dé — methode om te beoordelen of, en wanneer, (een voorschrift in) regelgeving bijdraagt aan maximalisering van de maatschappelijke welvaart de rechtseconomische analyse.2 Van dergelijke analyses wordt echter, ik denk terecht, opgemerkt dat deze als zwak punt kennen dat daarin niet tot nauwelijks oog is voor deze immateriële aspecten.3 Tegelijkertijd zie ik op dit moment geen betere methode. Zo biedt bijvoorbeeld de op zichzelf terechte constatering dat "effectief en efficiënt recht (...) slechts een kleurtje op een palet met een veelheid van gezichtspunten [is] waarmee juristen rekening moeten houden"4 evenmin houvast op welke wijze (wél) moet worden beoordeeld of het opleggen van een dwingendrechtelijk voorschrift in het vennootschapsrecht bijdraagt aan maximalisering van de maatschappelijke welvaart.5 Het aanleggen van, bijvoorbeeld, een beoordelingsmaatstaf die gebaseerd is op het "diep in ons vennootschapsrecht en privaatrecht gewortelde belangenpluralisme"6 biedt daarvoor mijns inziens geen uitkomst Ten eerste omdat op voorhand betoogd kan worden dat de meest optimale wijze van behartiging van belangenpluralisme in het recht plaatsvindt door flexibele wet- en regelgeving te creëren waarbinnen partijen autonoom en rekening houdend met uiteenlopende omstandigheden (kunnen) vormgeven aan hun belangen.7 Daarmee is de vraag waar de grens van dwingendrechtelijkheid moet worden getrokken nog steeds onbeantwoord. Ten tweede omdat men over de invulling van het begrip "belangenpluralisme" van mening kan verschillen8 en de wijze van de uit dat begrip voorvloeiende afweging van belangen aan (maatschappelijke) veranderingen onderhevig is.9 Dit maakt dat een op het "belangenpluralisme" gebaseerde maatstaf tot een weinig richtinggevende.10 Door het — vooralsnog — ontbreken van een betere methode dan een rechts-economische analyse voor beoordeling of, en wanneer, (een voorschrift in) regelgeving bijdraagt aan maximalisering van de maatschappelijke welvaart, lijkt derhalve onoverkomelijk dat beoordeling van de vormgeving van vennootschapsrechtelijke voorschriften — ten minste mede — plaatsvindt op basis van efficiëntiecriteria. Of opleggen van dwingendrechtelijke bepalingen van vennootschapsrecht noodzakelijk is met het oog op het "waarborgelement" van het vennootschapsrecht zal derhalve, in ieder geval deels, moeten worden bepaald op basis van rechtseconomische overwegingen.