Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/2.3.4
2.3.4 De normatieve waarde van het Unierecht
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS492940:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 5 februari 1963, nr. C-26/62, BNB 1964/134 (Van Gend & Loos).
HvJ 3 juni 1964, nr. C-6/64, Jur. 1964, p. 1199 (Costa vs ENEL).
Deze doorwerking is in Nederland niet afhankelijk van art. 94 Grondwet, waarin is vastgelegd dat wettelijke voorschriften geen toepassing vinden, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van onder meer verdragen. Het Unierecht bepaalt namelijk zelf dat het doorwerkt in het recht van de lidstaten.
Weber, Cursus Belastingrecht EBR.3.0.0.B/C.
Tot bronnen van het Nederlandse recht behoren onder meer wetten in formele zin (zoals de Wet OB 1968), algemene maatregelen van bestuur (zoals het Uitvoeringsbesluit OB 1968), ministeriële regelingen (zoals de Uitvoeringsregeling OB 1968) en ministeriële besluiten (btw-besluiten.nl), jurisprudentie en (rechts)beginselen (van behoorlijk bestuur).
Zie ook Bijl, Van Hilten & Van Vliet 2001, p. 12.
Met inachtneming van de algemene rechtsbeginselen en pseudobeginselen, voor zover zij het karakter hebben van een uitleggings- of interpretatiebeginsel.
Voor zover zij rechtstreeks doorwerken in het nationale recht en niet het karakter hebben van een uitleggings- of interpretatiebeginsel.
Uit het voorgaande volgt dat het Unierecht voorrang heeft boven het nationale recht. Dit volgt ook expliciet uit de klassieke arresten Van Gend & Loos1 en Costa vs ENEL,2 waarin het HvJ heeft beslist dat het Unierecht geheel zelfstandig en onafhankelijk van de wetgeving van de lidstaten doorwerkt in het recht van de lidstaten.3 De voorrang van het Unierecht geldt zowel voor de primaire als de secundaire bronnen van het Unierecht. Dat bepaalde onderdelen van het Unierecht geen rechtstreekse werking hebben, doet daaraan in principe niet af. De voorrang volgt dan bijvoorbeeld uit de richtlijnconforme interpretatie en het feit dat nationaal recht in het ergste geval buiten toepassing moet worden gelaten.4
Om de geldigheid van het nationale recht te beoordelen is het van belang om bronnen van nationaal recht5 te vergelijken met en te toetsen aan bronnen van het Unierecht.6 Het is voor onderhavige studie derhalve noodzakelijk om art. 29 Wet OB 1968 (en de uitleg die daaraan door de nationale rechter is gegeven) af te zetten tegen de daarmee corresponderende bepalingen uit de Btw-richtlijn (en de uitleg die daaraan door het HvJ is gegeven7) en andere bronnen van het Unierecht, waaronder de rechtsbeginselen van primair Unierecht8 en de grondrechten zoals uiteengezet in het Handvest EU. De aan te leggen toetsingsmaatstaf laat zich als volgt illustreren:
De pijlen illustreren de verhouding tussen het nationale recht en het Unierecht. De stippellijnen markeren de afbakening van het Unierecht en het nationale recht, waarbinnen de voor dit onderzoek voornaamste bronnen van het recht zijn weergegeven. Het wolkje illustreert de betekenis van de algemene rechtsbeginselen en pseudobeginselen (de btw-beginselen), voor zover zij dienen als uitleggings- of interpretatiebeginsel en niet rechtstreeks in het nationale recht doorwerken. Ik zal mij in deze studie voornamelijk richten op de met het linker pijltje aangeduide verhouding.
De hier bedoelde toetsingsmaatstaf zal ik in deze studie ook aanduiden als de ‘verticale toets’, zulks overeenkomstig de illustratie en de verhouding tussen het Unierecht en het daaraan ondergeschikte nationale recht. Deze verticale toets dient ter onderscheid van de ‘horizontale toets’, waarbij het gaat om de verhouding van het Unierecht en het nationale recht tot het rechtskarakter van de btw en de in dat verband aan te leggen toetsingsmaatstaf (paragraaf 2.4.6).